Verse 1 — Surah Ta-Ha 20:1
Verse 2 — Surah Ta-Ha 20:2
Wij hebben de Koran niet tot jou doen neerdalen om jou ongelukkig te maken
Verse 3 — Surah Ta-Ha 20:3
Maar slechts als een waarschuwing voor wie (Allah) vreest
Verse 4 — Surah Ta-Ha 20:4
Als een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen geschapen heeft
Verse 5 — Surah Ta-Ha 20:5
De Barmhartige, Die op de Troon zetelt
Verse 6 — Surah Ta-Ha 20:6
Aan Hem behoort wat in de hemelen en op de aarde is en wat ertussen is en wat zich onder de grond bevindt
Verse 7 — Surah Ta-Ha 20:7
Of jij niet luide stem spreekt (of niet): voorwaar, Hij kent het geheim en het meest verborgene
Verse 8 — Surah Ta-Ha 20:8
Allah, er is geen god den Hij, de Schone Namen (Asmâoelhoesnâ)behoren Hem toe
Verse 9 — Surah Ta-Ha 20:9
En heeft het verhaal van Môesa jou bereikt
Verse 10 — Surah Ta-Ha 20:10
Toen hij een vuur zag, en tot zij familie zei "Blijft hier, want ik zie een vuur. Misschien zal ik daarvan een fakkel bij jullie brengen of zal ik bij het vuur Leiding vinden
Verse 11 — Surah Ta-Ha 20:11
En toen hij daar aankwam, werd geroepen: "O Môesa
Verse 12 — Surah Ta-Ha 20:12
Voorwaar, Ik ben jouw Heer, dus trek jouw sandalen uit: vooirwau, jij bevindt je in de heilige vallei Thoewa
Verse 13 — Surah Ta-Ha 20:13
En ik heb jou uitverkoren, dus luister naar wat geopenbaard wordt
Verse 14 — Surah Ta-Ha 20:14
Voorwaarm, Ik ben Allah, er is geen god dan Ik. Aanbid mij daarom en onderhoud de shalât om Mij te gedenken
Verse 15 — Surah Ta-Ha 20:15
Voorwaar, het Uur zal komen. Ik sta op het punt om Zelf te onthullen dat iedere ziel beloond zal worden voor wat zij nastreeft
Verse 16 — Surah Ta-Ha 20:16
Laat je daarom er niet van affhouden door degene die er niet in gelooft en zijn begeerte volgt, zodat jij niet ten onder gaat
Verse 17 — Surah Ta-Ha 20:17
Wat is dat daar in jouw rechterhand, O Môesa
Verse 18 — Surah Ta-Ha 20:18
Hij (Môesa) zei: "Dat is mijn staf, waarop ik leun en warmee ik bladeren afsla voor mijn schapen en die ik ook voor andere doelen gebruik
Verse 19 — Surah Ta-Ha 20:19
Hij (Allah) zei: "Werp hem neer, O Môesa
Verse 20 — Surah Ta-Ha 20:20
Toen wierp hij hem neer en hij word een slang die zich snel voortbewoog
Verse 21 — Surah Ta-Ha 20:21
Hij (Allah) zei: "Pak hem op en wees niet bang, Wij zullen hem weer in de oorspronkelijke toestand terugbrengen
Verse 22 — Surah Ta-Ha 20:22
En stop jouw hand onderjouw kraag, hij zal wit tevoorschijn komen, zonder ziekte, als een ander Teken
Verse 23 — Surah Ta-Ha 20:23
Zodat Wij jou iets te laten zien van Onze gmte Tekenen
Verse 24 — Surah Ta-Ha 20:24
Ga naar Fir'aun: voorwaar, hij overtrad
Verse 25 — Surah Ta-Ha 20:25
Hij (Môesa) zei: "O Heer, verruim mijn borst
Verse 26 — Surah Ta-Ha 20:26
En maak mijn taak makkelijk voor mij
Verse 27 — Surah Ta-Ha 20:27
En verlos mij van het gebrek in mijn tong
Verse 28 — Surah Ta-Ha 20:28
Zodat zij mijn woorden zullen begrijpen
Verse 29 — Surah Ta-Ha 20:29
En stel voor mij een helper aan uit mijn familie
Verse 30 — Surah Ta-Ha 20:30
Hârôen, mijn broeder
Verse 31 — Surah Ta-Ha 20:31
Versterk met hem mijn kracht
Verse 32 — Surah Ta-Ha 20:32
En laat hem delen in mijn taak
Verse 33 — Surah Ta-Ha 20:33
Zodat wij U veel kunnen prijzen
Verse 34 — Surah Ta-Ha 20:34
En U veel zullen gedenken
Verse 35 — Surah Ta-Ha 20:35
Voorwaar, U bent Alziend over ons
Verse 36 — Surah Ta-Ha 20:36
Hij (Allah) zei: "Waarlijk, jouw verzoek is ingewilligd, O Môesa
Verse 37 — Surah Ta-Ha 20:37
En voorzeker, Wij hebben jou een andere keer begunstigd
Verse 38 — Surah Ta-Ha 20:38
Toen Wi jouw moeder inspireerden met wat geinspireerd werd
Verse 39 — Surah Ta-Ha 20:39
(Wij zeiden haar:) 'Leg hem in de kist en werp hem in de zee, zodat de zee hem op de kust zal werpen; een vijand van Mij en een vijand van hem zal hem opnemen.' En ik heb Mijn liefde over jou uitgestort opdat jij onder Mijn toezicht grootgebracht werd
Verse 40 — Surah Ta-Ha 20:40
Toen jouw zuster heenging en (tegen de familie van Fir'aun) zei: 'Zal ik hem naar iemand brengen, die voor hem kan zorgen?' Zo brachten Wij jou bij jouw moeder terug, zodat haar ogen verblijdden en niet treurden. En jij hebt iemand gedood; daarop hebben Wij jou uit de moeilijkheden gered en Wij hebben jou aan veel beproevingen blootgesteld. Zo verbleef jij jaren onder het volk van Madyan, toen kwam jij, zoals bepaald, O Môesa
Verse 41 — Surah Ta-Ha 20:41
En ik heb jou voor Mijzelf gekozen
Verse 42 — Surah Ta-Ha 20:42
Gaat heen jij en je broeder en veronachtzaamt Mijn gedachtenis niet
Verse 43 — Surah Ta-Ha 20:43
Gaat naar Fir'aun: voorwaar, hij overtrad
Verse 44 — Surah Ta-Ha 20:44
En spreekt mild tot hem, moge hij zich laten vermanen, of er bang van worden
Verse 45 — Surah Ta-Ha 20:45
Zij zeiden: "Onze Heer, voorwaar, wij zijn bang dat hij gewelddadig zal zijn tegen ons, of zal overtreden
Verse 46 — Surah Ta-Ha 20:46
Hij zei: "Weest niet bang. Voorwaar, Ik ben met jullie beiden, Ik hoor en Ik zie
Verse 47 — Surah Ta-Ha 20:47
Gaat daarom naar hem toe. en zegt: 'Voorwaar, wij zijn Boodschappers van jouw Heer, stuur de Kinderen van Israël met ons en bestraft hen niet. Wij zijn waarlijk tot jou gekomen met een Teken van jouw Heer, en vrede is met degene die de Leiding volgde
Verse 48 — Surah Ta-Ha 20:48
Voorwaar, het is aan ons geopenbaard, dat de bestraffing over hem zal komen die (Allah) loochent en zich afwendt
Verse 49 — Surah Ta-Ha 20:49
Hij (Fir'aun) zei: "Wie is jullie Heer, O Môesa
Verse 50 — Surah Ta-Ha 20:50
Hij (Môesa) zei: "Onze Heer is Degene Die aan ieder ding van Zijn schepping vorm gegeven heeft en (het) daarna geleid heeft
Verse 51 — Surah Ta-Ha 20:51
Hij (Fir'aun) zei, "Hoe staat het dan met de vroegere generaties
Verse 52 — Surah Ta-Ha 20:52
Hij (Môesa) zei: "De kennis over hen is bij mijn Heer, in een Boek. Mijn Heer maakt geen fouten en vergeet niet
Verse 53 — Surah Ta-Ha 20:53
Degene Die de aarde voor jullie uitspreidde en er wegen voor jullie op aanlegde, en water uit de hemel deed neerdalen. Waarmee Wij paren van verschillende soorten planten hebben voortgebracht
Verse 54 — Surah Ta-Ha 20:54
Eet en laat jullie vee grazen: voorwaar, daarin zijn Tekenen voor de bezitters van verstand
Verse 55 — Surah Ta-Ha 20:55
Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken
Verse 56 — Surah Ta-Ha 20:56
En voorzeker, Wij hebben hem (Fir'aun) al Onze Tekenen laten zien, maar hij ontkende en weigerde
Verse 57 — Surah Ta-Ha 20:57
(Fir'aun zei:) "Ben jij naar ons toegekomen om ons uit ons land te verdrijven met jouw tovenarij, O Môesa
Verse 58 — Surah Ta-Ha 20:58
Dan zullen wij zeker met eenzelfde soort tovenarij voor jou komen, maak maar een afspraak tussen ons en jou, die wij niet verbreken en jij ook niet, op een plaats op gelijke afstand
Verse 59 — Surah Ta-Ha 20:59
Hij (Môesa) zei: "Jullie afspraak zal op de feestdag zijn en laat de mensen in de ochtend verzameld worden
Verse 60 — Surah Ta-Ha 20:60
Toen ging Fir'aun weg om zijn plannen te beramen en daarna kwam hij terug
Verse 61 — Surah Ta-Ha 20:61
Môesa zei tot hen: "Wee jullie, verzint geen leugens over Allah, want dan zal Hij jullie door een bestraffing vernietigen. En waarlijk, wie leugens verzint is degene die verlist
Verse 62 — Surah Ta-Ha 20:62
Zij (de Lieden van Fir'aun) twistten met elkaar over hun zaak en hielden een geheim overleg
Verse 63 — Surah Ta-Ha 20:63
Zij zeiden: "Waarlijk, dit zijn zeker twee tovenaars, die jullie met hun tovenarij uit jullie land willen verdrijven en zij gaan jullie navolgenswaardige levenswijze doen verdwijnen
Verse 64 — Surah Ta-Ha 20:64
Stelt daaarom jullie plan op en komt dan in rijen. En waarlijk, hij die vandaag Wint zal de overhand krijgen
Verse 65 — Surah Ta-Ha 20:65
Zij zeiden: "O Môesa, of jij werpt, of zijn wij het die het eerst werpen
Verse 66 — Surah Ta-Ha 20:66
Hij zei: "Werpt maar." En toen scheen het hem toe dat hun touwen en hun staven zich door hun tovenarij voortbewogen
Verse 67 — Surah Ta-Ha 20:67
Toen voelde Môesa vrees in zich opkomen
Verse 68 — Surah Ta-Ha 20:68
Wij (Allah) zeiden: "Vrees niet! Voorwaar, jij zult de overhand krijgen
Verse 69 — Surah Ta-Ha 20:69
Werp neer wat in jouw rechterhand is, het zal wat zij wrochtten verslinden. Voorwaar, wat zij wrochtten is slechts een list van een tovenaar. En de tovenaar wint niet, hoe hij het ook doet
Verse 70 — Surah Ta-Ha 20:70
Toen werden de tovenaars op hun knieën neergeworpen, zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van Hârôen en Môesa
Verse 71 — Surah Ta-Ha 20:71
Hij (Fir'aun) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming gegeven heb? Voorwaar, hij is zeker jullie meester die jullie tovenarij onderwezen heeft. Ik zal zeker jullie handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie zeker kruisigen aan de stammen van palmbomen! En jullie zullen zeker weten wie van ons strenger en blijvender is wat betreft bestraffing
Verse 72 — Surah Ta-Ha 20:72
Zij zeiden: "Wij zullen jou nooit verkiezen boven de duidelijke Tekenen die tot ons gekomen zijn en Degene Die ons geschapen heeft. Besluit daarom wat je besluit is: voorwaar, wat jij ook besluit, dat is van het wereldse leven
Verse 73 — Surah Ta-Ha 20:73
Voorwaar, wij geloven in onze Heer, opdat Hij onze zonden zal vergeven en (ook) de tovenarij, waartoe jij ons gedwongen hebt. En Allah is beter (in het belonen) en blijvender (in de bestraffinjg)
Verse 74 — Surah Ta-Ha 20:74
Voorwaar, wie als een zondaar war zijn Heer komt, voor hem is zeker de Hel, waarin hij noch leeft noch sterft
Verse 75 — Surah Ta-Ha 20:75
En zij die als gelovigen naar Hem komen en waarlijk goede daden verrichten: zij zijn degenen die de hoge rangen krijgen
Verse 76 — Surah Ta-Ha 20:76
De Tuinen van 'Adn ( het Paradijs), waar onder door de rivieren stromen, zij zijn eeuwig levenden darin. Dat is de beloning voor wie zich reinigt
Verse 77 — Surah Ta-Ha 20:77
En voorzeker, Wij hebben aan Môesa geopenbaard: "Reis in de nacht met Mijn dienaren en sla (met je staf) voor hen een droge weg door de zee. Wees niet bang om bereikt te worden en wees niet angstig
Verse 78 — Surah Ta-Ha 20:78
Toen volgde Fir'aun hen met zijn legers, daarop werden zij bedekt door de vloedgolf die over hen kwam
Verse 79 — Surah Ta-Ha 20:79
En Fir'aun deed zijn volk dwalen en leidde hen niet
Verse 80 — Surah Ta-Ha 20:80
O Kinderen van Israël, Wij hebben jullie waarlijk van jullie vijand gered en Wij sloten een verbond met jullie bij de rechterzijde van (de berg) Thôer en Wij deden Manna en kwartels voor jullie neerdalen
Verse 81 — Surah Ta-Ha 20:81
Eet van de gome dingen, waarmee Wij jullie hebben voorzien en overdrijft niet zodat Mijn woede jullie niet treft. En wie door Mijn woede getroffen wordt zal waarlijk ten onder gaan
Verse 82 — Surah Ta-Ha 20:82
En voorwaar, Ik ben zeker een Vergevensgezinde voor degene die berouw toonde en geloofde en goede daden verrichtte en vervolgens Leiding volgde
Verse 83 — Surah Ta-Ha 20:83
(Allah zei:) "En wat heeft jou je van jouw volk doen weghaasten, O Môesa
Verse 84 — Surah Ta-Ha 20:84
Hij zei: "Zij volgen in mijn voetstappen en ik haastte mij naar U, O mijn Heer, om door U behaagd te worden
Verse 85 — Surah Ta-Ha 20:85
Hij (Allah) zei: "Wij hebben jou op de proef gesteld nadat jij (vertrok) en de Sâmirî bracht hen tot dwaling
Verse 86 — Surah Ta-Ha 20:86
Toen keerde Môesa terug naar zijn volk, woedend en vol spijt, en zei. "O mijn volk, heeft jullie Heer jullie geen goede belofte gedaan? Duurde (de vervulling van) de belofte te lang of wilden jullie dat de woede van jullie Heer jullie trof, zodat jullie mijn afspraak (met jullie) afzegden
Verse 87 — Surah Ta-Ha 20:87
Zij zeiden: "Wij hebben de afspraak met jou niet uit vrije wil afgezegd, maar wij werden belast met ladingen sieraden van het volk. Toen gooiden wij die (in het vuur), net zoals de Sâmirî (ze in het vuur) wierp
Verse 88 — Surah Ta-Ha 20:88
Toen haalde de Sâmirî voor hen een beeld van een kalf (uit het vuur), met geloei. En zij zeiden: "Dit is jullie god en de god van Môesa, maar hij vergat (hem)
Verse 89 — Surah Ta-Ha 20:89
Zien zij niet dat het geen woord aan hen terug gaf en het ook geen kracht had om voor hen schade (te voorkomen) of te baten
Verse 90 — Surah Ta-Ha 20:90
En voorzeker, Hârôen had tevoren gezegd: "O mijn volk, jullie worden daarmee op de proef gesteld. En voorwaar, jullie Heer is de Barmhartige. Volgt mij daarom en gehoorzaamt mijn bevel
Verse 91 — Surah Ta-Ha 20:91
Zij (de aanbidders van het kalf) zeiden: "Wij zullen nooit ophouden hein (te aanbidden), totdat Môesa tot ons terugkeert
Verse 92 — Surah Ta-Ha 20:92
Hij (Môesa) zei: "O Hârôen, wat hield jou tegen toen jij ben zag dwalen
Verse 93 — Surah Ta-Ha 20:93
Om mij te volgen? Ben jij dan ongehoor-zaam aan mijn bevel geweest
Verse 94 — Surah Ta-Ha 20:94
Hij (Hârôen) zei: "Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard of bij mijn hoofd. Ik was bang dat jij zou zeggen: 'Jij hebt de Kinderen van Israël verdeeld en jij hebt mijn woorden niet in acht genomen
Verse 95 — Surah Ta-Ha 20:95
Hij (Môesa) zei: "Wat was jouw geval, O sâmirî
Verse 96 — Surah Ta-Ha 20:96
Hij (de Sâmiri) zei: "Ik doorzag wat zij niet doorzagen en ik nam een handvol uit het spoor van de gezant en ik strooide het (over het kalt). En zo verblijdde ik mijzelf
Verse 97 — Surah Ta-Ha 20:97
Hij (Môesa) zei: "Ga dan maar heen. Voorwaar, voor jou is er in het leven, dat jij slechts kan zeggen: 'Raak mij niet aan, 'en voorwaar, voor jou is er een afspraak (in het Hiernamaals), die nooit afgezegd kan worden. En kijk naar jouw god die jij voortdurend aan het aanbidden was: wij zullen hem zeker verbranden. En vervolgens werpen wij hem zeker als as in de zee
Verse 98 — Surah Ta-Ha 20:98
Voorwaar, jullie god is slechts Allah, er is geen god dan Hij. Hij omvat alle zaken met (Zijn) kennis
Verse 99 — Surah Ta-Ha 20:99
Zo verhalen Wij jou van de geschiedenissen van wat voorafgegaan is. En waarlijk, Wij hebben jou van Onze Zijde de Vermaning gegeven
Verse 100 — Surah Ta-Ha 20:100
Hij, die zich ervan afwendt: voorwaar, hij zal op de Dag der Opstanding een zonde dragen
Verse 101 — Surah Ta-Ha 20:101
Zij zullen daarin eeuwig levenden zijn. Slecht zal de last voor hen zijn op de Dag der Opstanding
Verse 102 — Surah Ta-Ha 20:102
Op de Dag, waarop op de bazuin wordt geblazen en Wij de zondaren verzamelen, met hun afschrikwekkende gezichten
Verse 103 — Surah Ta-Ha 20:103
Fluisterend onder elkaar zeggen ze: "Jullie hebben slechts tien dagen op aarde verbleven
Verse 104 — Surah Ta-Ha 20:104
Wij weten het beste wat zij zeggen wanneer degene die het meest voorbeeldig de Weg volgde onder hen zegt. "Jullie hebben er slechts één dag verbleven
Verse 105 — Surah Ta-Ha 20:105
En zij vragen jou over de bergen. Zeg dan: "Mijn Heer zal ze als pulver doen uiteenvallen
Verse 106 — Surah Ta-Ha 20:106
En Hij laat hen achter als een kale vlakte
Verse 107 — Surah Ta-Ha 20:107
Waarop je geen lage en hoge (plaatsen) ziet
Verse 108 — Surah Ta-Ha 20:108
Op die dag zullen zij de Oproeper volgen; er is geen (mogelijkeid) om aan hem te ontsnappen. En stemmen zullen zacht klinken tegenover de Barmhartige, zodat je niets dan gefluister hoort
Verse 109 — Surah Ta-Ha 20:109
Op de Dag is bemiddeling niet van nut, behalve voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen
Verse 110 — Surah Ta-Ha 20:110
Hij weet wat vôôr hen is en wat achter hen is, en zij kunnen Hem met kennis niet omvatten
Verse 111 — Surah Ta-Ha 20:111
En alle gezichten zullen eerbiedig neerbuigen voor de Levende, de Zelfstandige. En waarlijk, hij die onrecht pleegde zal teleurgesteld worden
Verse 112 — Surah Ta-Ha 20:112
En hij die goede daden verrichtte en een gelovige was, hoeft niet bang te zijn voor onrecht of verlies
Verse 113 — Surah Ta-Ha 20:113
En zo hebben Wij hem neergezonden als een Arabische Koran en Wij hebben daarin waarschuwingen uiteengezet. Hopelijk zullen zij (Allah) vrezen of zal hij (de Koran) hen lering brengen
Verse 114 — Surah Ta-Ha 20:114
En Verheven is Allah, de Ware Koning. En haast je niet met de Koran (O Moehammad), voordat zijn openbaring an jou voltooid is. En zeg: "'Mijn Heer, vermeerder voor mijn kennis
Verse 115 — Surah Ta-Ha 20:115
En Wij hadden vroeger met Adam een verbond gesloten, maar hij vergat het. Wij vonden bij hem geen vastberadenheid
Verse 116 — Surah Ta-Ha 20:116
En toen Wij tegen de Engelen Zeiden: "Werpt jullie neer voor Adam," wierpen zij zich neer, behalvc lblîs, hij weigerde
Verse 117 — Surah Ta-Ha 20:117
Daarop zeiden Wij: "O Adam, voorwaar, dit is zeker een vijand van jou en jouw vrouw. Laat hem daarom jullie niet uit het Paradijs verdrijven, want dan zal jij zeker ongelukkig worden
Verse 118 — Surah Ta-Ha 20:118
Voorwaar, daarin is voor jou geen honger en jij bent er niet naakt
Verse 119 — Surah Ta-Ha 20:119
Jij hebt ef zeker geen dorst en jij wordt er niet blootgesteld aan hitte
Verse 120 — Surah Ta-Ha 20:120
Maar de Satan fluisterde hem in, en zei: "O Adam, zal ik jou de eeuwige boom wijzen en een koninkrij'k dat niet vergaat
Verse 121 — Surah Ta-Ha 20:121
Vervolgens aten zij ervan, zodat hun schaamte zichtbaar werd en zij begonnen zich te bedekken uwt bladeren van het Paradijs; en zo was Adam zijn Hecr ongehoorzaam en dwaalde hij
Verse 122 — Surah Ta-Ha 20:122
Daarna koos zijn Heer hem uit en Hij aanvaardde zün berouw en leidde (hem)
Verse 123 — Surah Ta-Ha 20:123
Hij (Allah) zei: "Daalt hieruit af, tezamen, onder jullie zal de één de vijand zijn van de ander. Maar als van Mij Leiding tot jullie komt: wie Mijn Leiding volgt dwaalt niet en is niet ongelukkig
Verse 124 — Surah Ta-Ha 20:124
En hij die zich afwendt van Mijn Vemaning: voorwaar, er zal dan voor hem een benauwd leven zijn. En Wij zullen hen verzamelen op de Dag der Opstanding, in blinde toestand
Verse 125 — Surah Ta-Ha 20:125
Hij zal zeggen: "Mijn Heer, waarom verzamelt U mij in blinde toestand, terwijl ik vroeger in staat was om te zien
Verse 126 — Surah Ta-Ha 20:126
Hij (Allah) zai zeggen: "Zo is het. Onze Tekkenen zijn tot jou gekomen, maar jij verpt ze, en daaroin wordt jij vandaag vergeten
Verse 127 — Surah Ta-Ha 20:127
En zo vergeiden Wij wie overschrijdt en niet in de Tekenen van zijn Heer gelooft. En de bestraffing in het Hiernamaals is zeker strenger en blijvender
Verse 128 — Surah Ta-Ha 20:128
Is er voor hen den geen Leiding in hoeveel genenties vóór hen Wij vernietigd hebben, en over wiens (vernietigde) woningen zij rondwandeled? Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor de bezittem van verstand
Verse 129 — Surah Ta-Ha 20:129
En als er geen Wood van jouw Heer voorafgegan was, en het tijdstip niet vastgesteld was, dan zou (de bestraffing) ben zeker treffen
Verse 130 — Surah Ta-Ha 20:130
Wees daarom geduldig (O Moehammad) met wat zij zeggen en prijs de lof van jouw Heer vóór de zonsopgang en vóór haar ondergang en tijdens de nacht en prijs (Hem) op de uiteinden van de dag. Hopelijk ben jij tevreden
Verse 131 — Surah Ta-Ha 20:131
En kijk niet met uitpuilende ogen naar wat Wij sommigen van hen aan genietingen hebben geschonken, (het is slechts) de versiering van het wereldse leven, om hen ermee op de proef te stellen. Ein de voorziening van jouw Heer is beter en blijvender
Verse 132 — Surah Ta-Ha 20:132
En beveel jouw familie de shalât te verrichten en volhard daarin. Wij wagen van jou geen voorziening (te geven), Wij geven jou voorziening. Het (goede) einde is voor degene die (Allah) vreest
Verse 133 — Surah Ta-Ha 20:133
En zij (de ongelovigen) zeggen: "Waarom is hij niet met een Teken van Zijn Heer tot ons gekomen?" Is er dan geen duidelijk Teken tot hen gekomen in de voorafgaande Geschriften
Verse 134 — Surah Ta-Ha 20:134
En als Wij hen vernietigd hadden door een bestraffing voor hem (de Koran), dan zouden zij zeker zeggen: "Onze Heer, had U maar een Boodschapper naar ons gestuurd, dan zouden wij Uw Tekenen hebben gevolgd, voordat wij vemederd en te schande gemaakt werden
Verse 135 — Surah Ta-Ha 20:135
Zeg: "Allen wachten af, wacht dus af. Jullie zullen te weten komen wie de volgers van het rechte Pad zijn en wie Leiding volgden