Back to Languages

Dutch - Chapter 21 - Al-Anbiya

Translation by Sofian S. Siregar — Permalink

Verse 1 — Surah Al-Anbiya 21:1

Dichter bij voor de mensen is hun afrekening gekomen, terwijl zij zich in onachtzaamheid afwenden

Verse 2 — Surah Al-Anbiya 21:2

En er komt geen nieuwe Vermaning van hun Heer tot hen, of zij luisteren ernaar terwijl zij er de spot mee drijven

Verse 3 — Surah Al-Anbiya 21:3

Achteloos zijn hun harken. En degenen die onrechtvaardig zijn verbergen (hun onrecht) in heimelijk overleg (en zeggen:) "Deze (Boodschapper) is niet anders dan een mens zoals jullie." Nemen jullie dan tovenarij aan, terwijl jullie het doorzien

Verse 4 — Surah Al-Anbiya 21:4

Hij (Moehammad) zei: "Mijn Heer weet wat er in de hemelen en op de aarde gesproken wordt, en Hij is de Alhorende, de Alwetende

Verse 5 — Surah Al-Anbiya 21:5

Zij (de ongelovigen) zeggen zelfs: "Het verwardste gedroom is (deze Koran), hij verzon hem zelfs, hij is zelfs een dichter! Laat hem dan een Teken tot ons brengen zoals aan de voorafgaanden gezonden werd

Verse 6 — Surah Al-Anbiya 21:6

Zij geloofden niet, degenen vóór hen uit de steden die Wü vernietigden: zullen zij dan geloven

Verse 7 — Surah Al-Anbiya 21:7

En Wij hebben (niemnd) vóór jou gezonden of zij waren slechts mannen aan wie Wij openbaarden. Vraagt dan de bezitters van kennis, indien jullie het Riet weten

Verse 8 — Surah Al-Anbiya 21:8

En Wij schiepen hen niet met lichamen die geen voedsel aten en zij leefden niet eeuwig

Verse 9 — Surah Al-Anbiya 21:9

Dawop vervulden Wij voor ben de belofte en Wij redden ben en wie Wij wensten. En Wij vemietigden de buitensporigen

Verse 10 — Surah Al-Anbiya 21:10

Voorzeker, Wij hebben aan jullie een Boek doen neerdalen met daarin jullie eer. Begrijpom jullie het niet

Verse 11 — Surah Al-Anbiya 21:11

En hoevelen uit de steden vernietigden Wij niet die onrecht pleegden, na wie Wij een ander volk deden opstaan

Verse 12 — Surah Al-Anbiya 21:12

En wanneef zij dan Onze besüafflng aan voelden komen, dan (probeerden) zij ervan weg te rennen

Verse 13 — Surah Al-Anbiya 21:13

Rent niet weg, maar keert terug naar wat jullie van de goede dingen van het leven gegeven was en jullie huizen, opdat jullie ondervraagd zullen worden

Verse 14 — Surah Al-Anbiya 21:14

Zij zeiden: "Wee ons: voorwaar, wij waren onrechtvaardigen

Verse 15 — Surah Al-Anbiya 21:15

En die weeklacht van hen hield niet op voordat Wij hen als neergemaaid, uitgestorven maakten

Verse 16 — Surah Al-Anbiya 21:16

En Wij schiepen de hemelen en de aarde en wat tussen hen is niet als vermaak

Verse 17 — Surah Al-Anbiya 21:17

Indien Wij gewild zouden hebben het als vermaak te nemen, dan zouden Wij het van Onze Zijde gernomen hebben, als Wij (zoiets al) gedaan zouden hebben

Verse 18 — Surah Al-Anbiya 21:18

Welnee, Wij werpen de Waarheid tegen het valse, waarop het vernietigd wordt en dan verdwijnt het. En wee jullie voor wat jullie toeschrijven (aan Allah)

Verse 19 — Surah Al-Anbiya 21:19

Aan Hem behoort wat in de hemelen en op de aarde is. En degenen die niet Hem zijn (de Engelen), zijn niet te hoogmoedig om Hem te dienen en zij worden er niet moe van

Verse 20 — Surah Al-Anbiya 21:20

Zij prijzen Zijn Glorie tijdens de nacht en de dag en versagen niet

Verse 21 — Surah Al-Anbiya 21:21

Of hebben zij (de ongelovigen) goden uit de aarde genomen die (de doden kunnen) opwekken

Verse 22 — Surah Al-Anbiya 21:22

Als er andere goden dan Allah in zouden zijn, dan zou zij (de hemelen en de aarde) zeker vergaan: maar Heilig is Allah, Heer van de Troon, boven wat zij Hem toeschrijven

Verse 23 — Surah Al-Anbiya 21:23

Hij kan niet over Zijn handelen ondervraagd worden, terwijt zij wel ondervraagd worden

Verse 24 — Surah Al-Anbiya 21:24

Of hebben zij naast Hem goden genomen? Zeg (O Moehammad): "Brengt jullie bewijs, dit is de Varmaning van degenen met mij en vóór mij." Maar de meesten van hen kennen de Waarheid niet, daarom keren zij zich af

Verse 25 — Surah Al-Anbiya 21:25

En Wij stuurden niet één van de Boodschappers vóór jou, of Wij openbaarden aan hem dat er geen andere god dan Ik is, aanbidt Mij daarom

Verse 26 — Surah Al-Anbiya 21:26

En zij zeiden: "De Bamhartige heeft Zich een zoon genomen." Heilig is Hij! Zij (de Engelen) zijn slechts geëerde dienaren

Verse 27 — Surah Al-Anbiya 21:27

Zij nemen het wooird niet vóór Hem en zij handelen op Zijn bevel

Verse 28 — Surah Al-Anbiya 21:28

Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is en zij zijn niet van voorspraak, behalve voor wie Hem welgevallig zijn. En uit ontzag voor Hem vrezen zij (Allah)

Verse 29 — Surah Al-Anbiya 21:29

En wie van hen zegt: "Voorwaar, ik ben een god naast Hem," die vergelden Wij daarop niet de Het, zo vergelden Wij de onrechtplegers

Verse 30 — Surah Al-Anbiya 21:30

Weten degenen die ongelovig zijn niet dat de hemelen en de aarde als een gemengde massa waren en dat Wij hen beide daarop splitsten en dat Wij alle levende dingen uit het water maakten? Geloven zij niet

Verse 31 — Surah Al-Anbiya 21:31

En Wij maakten stevige bergen op de aarde, zodat zij niet met hen schudt. En Wij maakten daarin brede passen als wegen. Hopelijk zullen zij Leiding volgen

Verse 32 — Surah Al-Anbiya 21:32

En Wij maakten de hemel als een beschermende kap, maar zij wendden zich af van zijn Tekenen

Verse 33 — Surah Al-Anbiya 21:33

En Hij is Degene Die de nacht en de dag geschapen heeft, en de zon en de maan, allen bewegen in een baan

Verse 34 — Surah Al-Anbiya 21:34

En Wij hebben geen mens vóór jou onsterfelijkheid gegeven. Als jij zou sterven; zouden zij dan eeuwig leven

Verse 35 — Surah Al-Anbiya 21:35

Iedere ziel zal de dood ervaren en Wij stellen jullie op de proef met het slechte en het goede, als een beproeving, en tot Ons worden jullie teruggkeerd

Verse 36 — Surah Al-Anbiya 21:36

En als degenen die ongelovig zijn jou zien, zullen zij jou slechts spottend behandelen: "Is dit degene die jullie goden verwijten maakt?" En in het gedenken van de Barmhartige geloven zij niet

Verse 37 — Surah Al-Anbiya 21:37

De mens is haastig (van aard) geschapen. Spoedig zal ik jullie mijn Tekenen laten zien, vraagt daarom geen verhaasting (ervan)

Verse 38 — Surah Al-Anbiya 21:38

Zij zeggen: "Wanneer vindt (de vervulling van) deze belofte plaats als jullie waarachtigen zijn

Verse 39 — Surah Al-Anbiya 21:39

Als degenen die ongelovig zijn maar het moment gekend hadden waarop zij de Hel niet van hun gezichten kunnen afhouden, en niet van hun ruggen. En zij worden niet geholpen

Verse 40 — Surah Al-Anbiya 21:40

Integendeel, het zal hen onverwachts overvallen en hen verbijsteren. Daarom zijn zij niet in staat het tegen te houden. En hun (bestraffing) zal niet uitgesteld worden

Verse 41 — Surah Al-Anbiya 21:41

En voorzeker, er word vóór jou al de spot met de Boodschappers gedreven maar degenen die hen belachelijk maakten, werden omsingeld door hetgeen waarmee zij de spot plachten te drijven

Verse 42 — Surah Al-Anbiya 21:42

Zeg: "Wie kan jullie 's nacht en overdag veiligheid bieden tegen de Barmhartige?" Nee, zij keren zich af van de Vermaning van kun Heer

Verse 43 — Surah Al-Anbiya 21:43

Of hebben zij goden, die hen verdedigen tegen Ons? Zij zijn niet in staat zichzelf te helpen en zij worden niet tegen Ons bijgestaan

Verse 44 — Surah Al-Anbiya 21:44

Maar Wij hebben hun en hun vaderen genietingen geschonken, totdat de leeftijden voor hen veriengd werden. Zien zij dan niet dat Wij het land (onder hun macht) doen verminderen vanaf haar buitengronzen? Zijn zij dan de overwinnaars

Verse 45 — Surah Al-Anbiya 21:45

Zeg: "Voorwaar, ik waarschuw jullie slechts met de Openbaring." Maar de doven luisteren niet naar de oproep, zelfs (niet) wanneer zij gewaarschuwd worden

Verse 46 — Surah Al-Anbiya 21:46

En als ook maar een adem van de bestraffing van jouw Heer ben trek zeggen zij zeker: "Wee ons! Voorwaar, wij waren onrechtvaardigen

Verse 47 — Surah Al-Anbiya 21:47

En Wij zullen betrouwbare weegschalen opstellen op de Dag der Opstanding, zodat geen ziet iets van onrecht aangedaan wordt. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het naar voren brengen. En Wij zijn voldoende als Berekenaars

Verse 48 — Surah Al-Anbiya 21:48

En voorzeker hebben Wij aan Môesa en Hârôen een Foerqân gegeven, als een verheidering en een Vemaning voor de Moettaqôen

Verse 49 — Surah Al-Anbiya 21:49

Degenen die voor kun Heer vrezen in het verborgene. En zij zijn bang voor het Uur

Verse 50 — Surah Al-Anbiya 21:50

En dit is een gezegende Vermaning, die Wij neerzonden. Zullen jullie haar dan verwerpen

Verse 51 — Surah Al-Anbiya 21:51

En voorzeker gaven Wij vroeger Ibrâhîm zijn rechtgeleidheid en Wij waren bekend met hem

Verse 52 — Surah Al-Anbiya 21:52

(Gedenkt) toen hij tegen zijn vader en zijn voik zei: "Wat zijn dat voor beelden, die jullie aanbidden

Verse 53 — Surah Al-Anbiya 21:53

Zij zeiden: "Wij vonden dat onze vaderen hen aanbaden

Verse 54 — Surah Al-Anbiya 21:54

Hij zei: "Voorzeker, jullie en jullie vaderen verkeren in duidelijke dwaling

Verse 55 — Surah Al-Anbiya 21:55

Zij zeiden: "Ben jij naar ons gekomen met de Waarheid, of behoor jij tot hen die spotten

Verse 56 — Surah Al-Anbiya 21:56

Hij zei "Integendeel, jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, die Hij geschapen heeft. En ik behoor tot degenen die daarvan getuigen

Verse 57 — Surah Al-Anbiya 21:57

Bij Allah, ik zal zeker een plan beramen tegen jullie afgoden, nadat jullie weggaan, jullie ruggen toekerend

Verse 58 — Surah Al-Anbiya 21:58

Toen sloeg hij hen allemaal in stukken, behalve de grootste van hen, misschien zouden zij tot bem terugkeren

Verse 59 — Surah Al-Anbiya 21:59

Zij zeiden: "Wie heeft dat met onze afgoden gedaan? Voorwaar, hij behoort tot de onrechtplegers

Verse 60 — Surah Al-Anbiya 21:60

Zij zeiden: "Wij hebben een jongeman over hen boren spreken, Ibrâhîm wordt hij genoemd

Verse 61 — Surah Al-Anbiya 21:61

Zij zeiden: "Brengt hem dan onder de ogen van de mensen, hopelijk zullen zij getuigen

Verse 62 — Surah Al-Anbiya 21:62

Zij zeiden: "Heb jij dit met onze goden gedaan, O Ibrâhîm

Verse 63 — Surah Al-Anbiya 21:63

Hij zei: "Nee, de grootste van hen heeft het gedaan. Dus ondervraagt hen maar, als zij kunnen spreken

Verse 64 — Surah Al-Anbiya 21:64

Toen kwamen zij tot zichzelf, en zeiden (tegen elkaar): "Voorwaar, jullie zijn zelf de onrechtplegers

Verse 65 — Surah Al-Anbiya 21:65

Toen bogen zij hun hoofden (en zeiden:) "Voorzeker, jij weet dat zij niet kunnen spreken

Verse 66 — Surah Al-Anbiya 21:66

Hij (Ibrâhîm) zei: "Aanbidden jullie dan (een god) naast Allah, die jullie in niets baat en niet schaadt

Verse 67 — Surah Al-Anbiya 21:67

Foei jullie een wat jullie naast Allah aanbidden. Begrijpen jullie dan niet

Verse 68 — Surah Al-Anbiya 21:68

Zij (de ongelovigen) zeiden: "Verbrandt hem en helpt jullie goden, als jullie (iets willen) doen

Verse 69 — Surah Al-Anbiya 21:69

Wij (Allah) zeiden: "O vuur, wees koud en veilig voor Ibrâhîm

Verse 70 — Surah Al-Anbiya 21:70

En zij wilden een list tegen hem beramen, maar Wij maakten hen tot de grootste verliezers

Verse 71 — Surah Al-Anbiya 21:71

En Wij redden hem en Lôeth naar het land dat Wij gezegend hebben voor de wereldbewoners

Verse 72 — Surah Al-Anbiya 21:72

En Wij schonken hem Ishâq en Ya'qôeb als een geschenk. En Wij maakten ieder van hen tot oprechten

Verse 73 — Surah Al-Anbiya 21:73

En Wij maakten hen tot leiders, die leiding gaven volgens Ons bevel. En Wij openbaarden aan hen goede daden te verrichten en de shalât te onderhouden en de zakât te geven. En zij waren aanbidders van Ons

Verse 74 — Surah Al-Anbiya 21:74

En aan Lôeth schonken Wij wijsheid en kennis en Wij redden hem uit de stad waarvan (de bevolking) vuiligheid placht te bedrijven. Voorwaar, zij waren een slecht volk, zwaar zondigen

Verse 75 — Surah Al-Anbiya 21:75

En Wij deden hem in Onze Barmhartigheid binnengaan: voorwaar, hij behoorde tot de oprechten

Verse 76 — Surah Al-Anbiya 21:76

En (gedenkt) Nôeh, toen bij Ons vroeger aanriep en Wij hem daarop verhoorden: Wij redden hem en zijn familie van een geweldige ramp

Verse 77 — Surah Al-Anbiya 21:77

En Wij hielpen hem tegen het volk dat Onze Tekorten loochende. Voorwaar, zij waren een slecht volk. Toen deden Wij hen allen verdrinken

Verse 78 — Surah Al-Anbiya 21:78

En (gedenkt) Dâwôcd en Soelaimân toen zij een oordeel gaven over het akkerland, waarop de schapen van het volk grazend rondgelopen hadden. En Wij waren getuigen van hun oordeel

Verse 79 — Surah Al-Anbiya 21:79

En Wij deden Soelaimân (de zaak) begrijpen. En aan ieder van hen gaven Wij wijsheid en kennis. En Wij maakten Dâwôcd met de bergen en de vogels dienstbaar om (Allah's) Glorie te prijzen, Eii Wij waren het Die dat deden

Verse 80 — Surah Al-Anbiya 21:80

En Wij leerden hem kleding (maliënkolders) te maken om jullie te beschermen in jullie oorlog. Zullen jullie dan dankbaren zijn

Verse 81 — Surah Al-Anbiya 21:81

En aait Soelaimin (onderwierpen Wij) de stormachtige wind, die met Zijn verlof naar het land bewoog dat Wij gezegend hadden. En Wij zijn Alwetend over alle zaken

Verse 82 — Surah Al-Anbiya 21:82

En van de Satans doken er voor hem en zij verrichtten daarnaast ander werk. En Wij waren Wakers over hen

Verse 83 — Surah Al-Anbiya 21:83

En (gedenkt) Ayyôeb toen hij zijn Heer aanriep (en zei:) "Voorwaar, tegenspoed heeft mij getroffen en U bent de Bamhartigste der Barmhartigen

Verse 84 — Surah Al-Anbiya 21:84

Toen verhoorden Wij hem en hieven de tegenspoed voor hem op. En Wij gaven hem zijn familie en het daaraan gelijke aan hem (erbij), als een Barmhartigheid van Ons en als een vermaning voor de aanbidders

Verse 85 — Surah Al-Anbiya 21:85

En (gedenkt) Ismâ'îl, Idrîs en Dzôelkifl: allen behoorden tot de geduldigen

Verse 86 — Surah Al-Anbiya 21:86

En Wij deden ben in Onze Barmhartigheid binnengaan. Voorwaar, zij behoorden tot de oprechten

Verse 87 — Surah Al-Anbiya 21:87

En (gedenkt) Dzôennôen toen hij kwaad wegging en meende dat Wij geen macht over hem hadden. Toen riep hij uit in de duisternissen: "Er is geen god dan U, Heilig bent U: voorwaar, ik behoorde tot de onrechtvaardigen

Verse 88 — Surah Al-Anbiya 21:88

Toen verhoorden Wij hem en Wij redden hem iuit de nood. En zo redden Wij de gelovigen

Verse 89 — Surah Al-Anbiya 21:89

En (gedenkt) Zakariyyâ, toen hij zijn Heer aanriep: "Mijn Heer, laat mij niet alleen (zonder nageslacht) en U bent de beste van de erfgenamen

Verse 90 — Surah Al-Anbiya 21:90

Toen verhoorden Wij hem en Wij schonken hem Yahya en Wij maakten zijn vrouw geschikt (om te baren). Voorwaar, zij wedijverden in goede daden en riepen Ons aan, verlangend (naar Onze Genade) en vol ontzag (voor Onze bestraffing). En zij waren nederig tegenover Ons

Verse 91 — Surah Al-Anbiya 21:91

En zij (Maryam) bewaarde haar eerbaarheid, toen bliezen Wij van Onze Geest in haar. En Wij maakten haar en haar zoon een Teken voor de werelden

Verse 92 — Surah Al-Anbiya 21:92

Voorwar, deze godsdienst (Islam) is jullie godsdienst, de enigste. Ik ben jullie Heer, aanbidt Mij daarom

Verse 93 — Surah Al-Anbiya 21:93

Maar zij raakten onderling verdeeld over hun zaak (van eenheid). Allen zulleit tot Ons terugkeren

Verse 94 — Surah Al-Anbiya 21:94

En wie goede daden verricht en een gelovige is: zijn streven zal niet ontkend worden. Voorwaar, Wij zullen het voor hem opschrijven

Verse 95 — Surah Al-Anbiya 21:95

En het is onmogelijk voor (de bewoners van) een stad die Wij vernietigd hebben dat zij terugkeren (cm zich te beteren)

Verse 96 — Surah Al-Anbiya 21:96

Totdat voor Ya'djôedj en Ma'djôedj (de muur) geopend wordt en zij van iedere hoogte komen aansnellen

Verse 97 — Surah Al-Anbiya 21:97

En de ware belofte nabij komt. Dan zullen de blikken van degenen die ongelovig zijn verstarren: "Wee ons, wij verkeerden in onachtzaamheid daaromtrent, wij waren zelfs onrechtvaardigen

Verse 98 — Surah Al-Anbiya 21:98

Voorwaar, jullie en wat jullie naast Allah aanbidden zal brandstof zijn voor de Hel, jullie zullen er binnengaan

Verse 99 — Surah Al-Anbiya 21:99

En als diegenen goden waren, dan zouden zij er niet binnengaan. En allen zullen daarin eeuwig levenden zijn

Verse 100 — Surah Al-Anbiya 21:100

Zij zullen het daarin uitgillen en zij horen daarin niets

Verse 101 — Surah Al-Anbiya 21:101

Voorwaar, degenen aan wie het goede van Ons voorafgegaan is: zij zijn degenen die daar ver van gehouden worden

Verse 102 — Surah Al-Anbiya 21:102

Zij zullen er geen geluid van horen. En in wat hun zielen verlangen zullen zij eeuwig levenden zijn

Verse 103 — Surah Al-Anbiya 21:103

De grote verschrikking bedroeft hen niet en de Engelen zullen hun ontvangen (en zeggen:) "Dit is jullie dag, die jullie beloofd was

Verse 104 — Surah Al-Anbiya 21:104

(Gedenk) de Dag waarop Wij de hemelen oprollen, zoals het oprollen van het perkament om op te schrijven: net zoals Wij de eerste schepping begonnen zullen Wij haar herhalen, als een belofte die Wij op Ons namen. Voorwaar, Wij zullen het doen

Verse 105 — Surah Al-Anbiya 21:105

En voorzeker hebben Wij in de Zabôer geschreven, na de vermelding (in de Lauhoelmahfôezh), dat de aarde geërfd zal worden door Mijn rechtschapen dienaren

Verse 106 — Surah Al-Anbiya 21:106

Voorwaar, in deze (Koran) is zeker een Boodschap voor een volk van aanbidders

Verse 107 — Surah Al-Anbiya 21:107

En Wij hebben jou (O Moehammad) slechts gezonden als een barmhartigheid voor de werelden

Verse 108 — Surah Al-Anbiya 21:108

Zeg: "Voorwaar, wat aan mij geopenbaard is, is dat jullie god één God is, zullen jullie je dan aan Hem onderwerpen

Verse 109 — Surah Al-Anbiya 21:109

Maar als zij zich afwenden, zeg dan: "Ik heb jullie opgeroepen tot hetzelfde en ik weet niet of wat jullie aangezegd is dichtbij of ver weg is

Verse 110 — Surah Al-Anbiya 21:110

Voorwaar, Hij weet aat openlijk besproken wordt en Hij weet wat jullie verbergen

Verse 111 — Surah Al-Anbiya 21:111

En ik wed niet of dit een beproeving voor jullie is en een tijdelijk genot

Verse 112 — Surah Al-Anbiya 21:112

Zeg: "Mijn Heer, oordeel naar de Waarheid. En onze Heer, de Barmhartige, is Degene wiens hulp gevraagd wordt tegen wat jullie (Hem) toeschrijven