Back to Languages

Dutch - Chapter 26 - Ash-Shuara

Translation by Sofian S. Siregar — Permalink

Verse 1 — Surah Ash-Shuara 26:1

Verse 2 — Surah Ash-Shuara 26:2

Dit zijn Verzen van het duidelijke Boek

Verse 3 — Surah Ash-Shuara 26:3

Misschien zou jij jezelf vernietigen van verdriet omdat zij geen gelovigen zijn

Verse 4 — Surah Ash-Shuara 26:4

Als Wij het gewenst hadden, hadden Wij een Teken uit de hemel tot hen doen neerdalen, zodat hun nekken ervoor gebogen bleven

Verse 5 — Surah Ash-Shuara 26:5

Er komt geen nieuwe Vemaning van de Erbarmer tot hen, of zij wenden zich eman af

Verse 6 — Surah Ash-Shuara 26:6

Voorzeker, zij loochenden, maar berichten over wat zij plachten te bespotten zullen tot hen komen

Verse 7 — Surah Ash-Shuara 26:7

Kijken zij dan aiet naar de aarde, hoeveel Wij er van allerlei rijke soorten grwassen op doen groeien

Verse 8 — Surah Ash-Shuara 26:8

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen

Verse 9 — Surah Ash-Shuara 26:9

En voorwaar, jouw Heer: Hij is zeker de Almachtige, Meest Barmhartige

Verse 10 — Surah Ash-Shuara 26:10

(Gedenk) toen jouw Heer Môesa opriep: "Ga naar het volk van de onrechtvaardigen

Verse 11 — Surah Ash-Shuara 26:11

Het volk van Fir'aun, vrezen zij (Allah) niet

Verse 12 — Surah Ash-Shuara 26:12

Hij (Môesa) zei: "Mijn Heer, ik ben bang dat zij mij loochenen

Verse 13 — Surah Ash-Shuara 26:13

En dat mijn borst zich zal vernauwen en dat ik niet vloeiend zal spreken, zend daarom (de Engel) naar Hârôen

Verse 14 — Surah Ash-Shuara 26:14

En zij hebben (een beschuldiging van) een misdaad tegen mij en ik ben bang dat zij mij zullen doden

Verse 15 — Surah Ash-Shuara 26:15

Hij (Allah) zei: "Nee, gaat dus beiden met Onze Tekenen: voorwaar, Wij zijn met jullie, luisterend

Verse 16 — Surah Ash-Shuara 26:16

Gaat daarom naar Fir'aun en zegt: "Voorwaar, wij zijn de Boodschappers van de Heer der Werelden

Verse 17 — Surah Ash-Shuara 26:17

Zend de Kinderen van Israël met ons

Verse 18 — Surah Ash-Shuara 26:18

Hij (Fir'aun) zei: "Hebben wij jou niet als een kind onder ons opgevoed en verbleef jij geen jaren van jouw leven onder ons

Verse 19 — Surah Ash-Shuara 26:19

En jij deed wat jij deed en jij behooft tot de ondankbaren

Verse 20 — Surah Ash-Shuara 26:20

Hij (Môesa) zei: "Ik heb dat gedaan toen ik tot de onnadenkenden behoorde

Verse 21 — Surah Ash-Shuara 26:21

Dus vluchtte ik weg toen ik bang voor jullie was. Daarop heeft mijn Heer aan mij Wijsheid ij gegeven en gemaakt dat ik tot de Boodschappers behoorde

Verse 22 — Surah Ash-Shuara 26:22

En dit is de gunst die jij mij bewees: dat jij de Kinderen van Israël tot slaven gemaakt hebt

Verse 23 — Surah Ash-Shuara 26:23

Fiir'aun zei: "En wie is de Heer der Werelden

Verse 24 — Surah Ash-Shuara 26:24

Hij (Môesa) zei: "De Heer van de hemelen en de aarde en wat tussen hen beide is, als jullie er maar van overtuigd waren

Verse 25 — Surah Ash-Shuara 26:25

Hij (Fir'aun) zei tot hen die rondom hem waren: "Luisteren jullie niet

Verse 26 — Surah Ash-Shuara 26:26

Hij (Môesa) zei: "Juitie Heer en de Heer van jullie voorvaderen

Verse 27 — Surah Ash-Shuara 26:27

Hij (Fir'aun) zei: "Voorwaar, jullie Boodschapper die tot jullie gezonden is, is zeker bezeten

Verse 28 — Surah Ash-Shuara 26:28

Hij (Môesa) zei: "De Heer van het Oosten en het Westen en wat tussen hen beide is, als jullie begrijpen

Verse 29 — Surah Ash-Shuara 26:29

Hij (Fir'aun) zei: "Als jij een andere god dan mij hebt aangenomen, dan zal ik jou zeker tot een van de gevangenen maken

Verse 30 — Surah Ash-Shuara 26:30

Hij (Môesa) zei: "Zelfs als ik jou iets duidelijks kan laten zien

Verse 31 — Surah Ash-Shuara 26:31

Hij (Fir'aun) zei: "Breng het maar, als jij tot de waarachtigen behoort

Verse 32 — Surah Ash-Shuara 26:32

Toen wierp hij zijn staf neer en daarop werd het een duidelijke slang

Verse 33 — Surah Ash-Shuara 26:33

En hij strekte zijn hand uit en die werd wit voor de toeschouwers

Verse 34 — Surah Ash-Shuara 26:34

Hij (Fir'aun) zei tegen de vooraanstaanden rondom hem: "Voorwaar, dit is zeker een bekwame tovenaar

Verse 35 — Surah Ash-Shuara 26:35

Hij wil jullie uit jullie land verdrijven met zijn tovenarij. Dus wat adviseren jullie

Verse 36 — Surah Ash-Shuara 26:36

Zij zeiden: "Stel (de zaak van) hem en zijn broeder uit en stuur bijeenroepers naar de steden

Verse 37 — Surah Ash-Shuara 26:37

Zij zullen elke bekwame tovenaar bij jou brengen

Verse 38 — Surah Ash-Shuara 26:38

Zo werden de tovenaars verzameld op een afgesprokem lijd op een aangewezen dag

Verse 39 — Surah Ash-Shuara 26:39

En tot de mensen werd gezegd: "Zijn jullie nu bijeengekomen

Verse 40 — Surah Ash-Shuara 26:40

Moge wij de tovenaars volgen als zij de overwinnaars zijn

Verse 41 — Surah Ash-Shuara 26:41

Toen de tovenaars kwamen, zeiden zij tot Fir'aun: "Krijgen we zeker een beloning, als wij de overwinnaars zijn

Verse 42 — Surah Ash-Shuara 26:42

Hij zei: "Ja, jullie zullen dan tot de (mij) nabijen behoren

Verse 43 — Surah Ash-Shuara 26:43

Môesa zei tot hen: "Werpt maar wat jullie te werpen hebben

Verse 44 — Surah Ash-Shuara 26:44

Toen wierpen zij hun touwen en staven neer, terwijl zij zeiden: "Bij de eer van Fir'aun: voorwaar, wij zullen zeker de overwinnaars zijn

Verse 45 — Surah Ash-Shuara 26:45

Toen wierp Môesa zijn staf neer, en toen verslond zij wat zij met hun bedrog hadden gemaakt

Verse 46 — Surah Ash-Shuara 26:46

Toen wierpen de tovenaan zich neer, knielend

Verse 47 — Surah Ash-Shuara 26:47

Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden

Verse 48 — Surah Ash-Shuara 26:48

De Heer van Môesa en Hârôen

Verse 49 — Surah Ash-Shuara 26:49

Hij (Fir'aun) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming geef? Voorwaar, hij is zeker jullie meerdere die jullie de tovenarij onderwees. En spoedig zullen jullie het weten: ik zal jullie handen en jullie voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie allen kruisigen

Verse 50 — Surah Ash-Shuara 26:50

Zij (de tovenaars) zeiden: "Het deert (ons) niet. Voorwaar, wij zullen naar onze Heer terugkeren

Verse 51 — Surah Ash-Shuara 26:51

Voorwaar, wij verlangen dat Hij onze fouten vergeeft, omdat wij de eersten van de gelovigen zijn

Verse 52 — Surah Ash-Shuara 26:52

En wij openbaarden aan Môesa: "Reis in de nacht met Mijn dienaren: voorwaar, jullie zullen achtervolgd worden

Verse 53 — Surah Ash-Shuara 26:53

Toen stuurde Fir'aun bijeenroepers de steden in

Verse 54 — Surah Ash-Shuara 26:54

Diegenen zijn zeker een kleine groep

Verse 55 — Surah Ash-Shuara 26:55

En voorwaar, zij hebben ons woedend gemaakt

Verse 56 — Surah Ash-Shuara 26:56

En voorwaar, wij zijn zeker allen voorzichtig

Verse 57 — Surah Ash-Shuara 26:57

Toen verdreven Wij hen van de tuinen en bronnen

Verse 58 — Surah Ash-Shuara 26:58

En de schatten en eervolle plaatsen

Verse 59 — Surah Ash-Shuara 26:59

Zo was het; en Wij deden de Kinderen van Israël het erven

Verse 60 — Surah Ash-Shuara 26:60

Toen achtervolgden zij hen bij zonsopgang

Verse 61 — Surah Ash-Shuara 26:61

En toen de twee groepen elkaar zagen, zeiden de metgezellen van Môesa: "Voorwaar, wij worden zeker bereikt

Verse 62 — Surah Ash-Shuara 26:62

Hij (Môesa) zei: "Zeker niet voorwaar, mijn Heer is met mij, Hij zal mij lieden

Verse 63 — Surah Ash-Shuara 26:63

Toen openbaarden Wij aan Môesa: "Sla de zee met jouw staf." Toen spleet de zee en elk gedeelte was als een geweldige berg

Verse 64 — Surah Ash-Shuara 26:64

En Wij deden de anderen daar dichtbij komen

Verse 65 — Surah Ash-Shuara 26:65

En wij redden Môesa en allen die bij hem waren

Verse 66 — Surah Ash-Shuara 26:66

Vervolgens verdronken Wij de anderen

Verse 67 — Surah Ash-Shuara 26:67

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen

Verse 68 — Surah Ash-Shuara 26:68

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige

Verse 69 — Surah Ash-Shuara 26:69

En lees hun de geschiedenis van Ibrâhîm voor

Verse 70 — Surah Ash-Shuara 26:70

(Gedenk) toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: "Wat aanbidden jullie

Verse 71 — Surah Ash-Shuara 26:71

Zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden en wij zullen hen blijven aanbidden

Verse 72 — Surah Ash-Shuara 26:72

Hij (Ibrâhîm) zei: "Horen zij jullie, wanneer jullie hen aanroepen

Verse 73 — Surah Ash-Shuara 26:73

Of brengen zij jullie voordeel of berokkenen zij jullie nadeel

Verse 74 — Surah Ash-Shuara 26:74

Zij zeiden. "Wij vonden dat zelfs onze vaderen zo deden

Verse 75 — Surah Ash-Shuara 26:75

Hij (Ibrâhîm) zei: "Hebben jullie dain gezien wat jullie plegen te aanbidden

Verse 76 — Surah Ash-Shuara 26:76

Jullie en jullie vaderen die voorafgingen

Verse 77 — Surah Ash-Shuara 26:77

Voorwaar, zij zijn een vijand voor mij, (ik aanbid niemand) behalve de Heer der Werelden

Verse 78 — Surah Ash-Shuara 26:78

Degene Die mij geschapen heeft, Hij leidt mij

Verse 79 — Surah Ash-Shuara 26:79

En Hij is Degene Die mij voedt en Die mij te drinken geeft

Verse 80 — Surah Ash-Shuara 26:80

En wanneer ik ziek ben, is Hij het Die mij geneest

Verse 81 — Surah Ash-Shuara 26:81

Degene Die mij doet sterven en mi vervolgens doet leven

Verse 82 — Surah Ash-Shuara 26:82

En Degene van Wie ik hevig verlang dat Hij mijn zonden zal vergeven op de Dag des Oordeels

Verse 83 — Surah Ash-Shuara 26:83

Mijn Heer, schenk mij wijsheid en verenig mij met de rechtschapenen

Verse 84 — Surah Ash-Shuara 26:84

En maak mijn naam vermaard onder de lateren

Verse 85 — Surah Ash-Shuara 26:85

En maak mij één van de erfgenamen van de Tuin van de gelukzaligheid (het Paradijs)

Verse 86 — Surah Ash-Shuara 26:86

En vergeef mijn vader, waal bij behoorde tot de dwalenden

Verse 87 — Surah Ash-Shuara 26:87

En verneder mij niet op de Dag waarop er wordt opgewekt

Verse 88 — Surah Ash-Shuara 26:88

Op de Dag, waarop rijkdom en zonen niet zullen baten

Verse 89 — Surah Ash-Shuara 26:89

Alleen bij (zal gebaat zijn), die naar Allah komt met een zuiver hart

Verse 90 — Surah Ash-Shuara 26:90

En de Tuin wordt dichtbij de Moettaqôen gebracht

Verse 91 — Surah Ash-Shuara 26:91

En Djahîm (de Hel) wordt tentoongesteld aan de dwalenden

Verse 92 — Surah Ash-Shuara 26:92

En tot hen wordt gezegd: "Waar is het, wat jullie plachten te aanbidden

Verse 93 — Surah Ash-Shuara 26:93

Naast Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen

Verse 94 — Surah Ash-Shuara 26:94

Dan worden zij hals over kop daarin geslingerd, zij en de dwalenden

Verse 95 — Surah Ash-Shuara 26:95

En de troepen van Iblîs (de Satan), allemaal

Verse 96 — Surah Ash-Shuara 26:96

Zij zeggen, terwijl zij met elkaar redetwisten

Verse 97 — Surah Ash-Shuara 26:97

Bij Allah, wij verkeerden zeker in een duidelijke dwaling

Verse 98 — Surah Ash-Shuara 26:98

Dat wij jullie (de afgoden) gelijkstelden met de Heer der Werelden

Verse 99 — Surah Ash-Shuara 26:99

En alleen de misdadigers hebben ons doen afdwalen

Verse 100 — Surah Ash-Shuara 26:100

En wij hebben geen voorsprekers

Verse 101 — Surah Ash-Shuara 26:101

Verse 102 — Surah Ash-Shuara 26:102

Was er voor ons maar een weg terug, dan zouden wij tot de gelovigen behoren

Verse 103 — Surah Ash-Shuara 26:103

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn ongelovigen

Verse 104 — Surah Ash-Shuara 26:104

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige

Verse 105 — Surah Ash-Shuara 26:105

Het volk van Nôeh loochende de Boodschappers

Verse 106 — Surah Ash-Shuara 26:106

(Gedenk) toen hun broeder Nôeh tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet

Verse 107 — Surah Ash-Shuara 26:107

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper

Verse 108 — Surah Ash-Shuara 26:108

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 109 — Surah Ash-Shuara 26:109

Ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden

Verse 110 — Surah Ash-Shuara 26:110

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 111 — Surah Ash-Shuara 26:111

Zij zeiden: "Zouden wij jou volgen, terwijl de meest nederigen jou volgen

Verse 112 — Surah Ash-Shuara 26:112

Hij (Nôeh) zei: "En ik heb geen kennis over wat zij deden

Verse 113 — Surah Ash-Shuara 26:113

Hun afrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie het maar zouden beseffen

Verse 114 — Surah Ash-Shuara 26:114

Ik zal de gelovigen zeker niet wegjagen

Verse 115 — Surah Ash-Shuara 26:115

Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer

Verse 116 — Surah Ash-Shuara 26:116

Zij zeiden: "Als jij er niet mee ophoudt, O Nôeh, dan behoor jij tot degenen die gestenigd worden

Verse 117 — Surah Ash-Shuara 26:117

Hij (Nôeh) zei: "Mijn Heer, voorwaar mijn volk loochent mij

Verse 118 — Surah Ash-Shuara 26:118

Spreek daarom een oordeel uit tussen mij en hen. En red mij en de gelovigen die met mij zijn

Verse 119 — Surah Ash-Shuara 26:119

Toen redden Wij hem en degenen die met hem in het beladen schip waren

Verse 120 — Surah Ash-Shuara 26:120

En vervolgens verdronken Wij degenen die achterbleven (in de zondvloed)

Verse 121 — Surah Ash-Shuara 26:121

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen

Verse 122 — Surah Ash-Shuara 26:122

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige

Verse 123 — Surah Ash-Shuara 26:123

Het volk van de 'Âd loochende de Boodschappers

Verse 124 — Surah Ash-Shuara 26:124

(Gedenk) toen hun broeder Hôed tot hen zei: "Vrezen jullie Allah niet

Verse 125 — Surah Ash-Shuara 26:125

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper

Verse 126 — Surah Ash-Shuara 26:126

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 127 — Surah Ash-Shuara 26:127

En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden

Verse 128 — Surah Ash-Shuara 26:128

Zouden jullie op elke heuvel een gebouw bouwen om jullie te vermaken

Verse 129 — Surah Ash-Shuara 26:129

En bouwen jullie paleizen in de hoop dat jullie eeuwig leven

Verse 130 — Surah Ash-Shuara 26:130

En als jullie toeslaan, slaan jullie toe als geweldenaars

Verse 131 — Surah Ash-Shuara 26:131

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 132 — Surah Ash-Shuara 26:132

En vrom Hem Die jullie dat geschonken heeft waarover jullie weten

Verse 133 — Surah Ash-Shuara 26:133

En Hij Die jullie vee en zonen schenkt

Verse 134 — Surah Ash-Shuara 26:134

Verse 135 — Surah Ash-Shuara 26:135

Voorwaar, ik vrees voor jullie een bestraffing op de geweldige Dag

Verse 136 — Surah Ash-Shuara 26:136

Zij zeiden: "Voor ons is het hetzelfde of jij ons waarschuwt of dat jij niet tot de waarschuwers behoort

Verse 137 — Surah Ash-Shuara 26:137

Dit is slechts een gewoonte van de vroegeren

Verse 138 — Surah Ash-Shuara 26:138

En wij zullen niet behoren tot hen die gestraft worden

Verse 139 — Surah Ash-Shuara 26:139

Maar zij loochenden hem, dus vernietigden Wij hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen waren gew gelovigen

Verse 140 — Surah Ash-Shuara 26:140

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige

Verse 141 — Surah Ash-Shuara 26:141

Het volk van de Tsamôed loochende de Boodschappers

Verse 142 — Surah Ash-Shuara 26:142

(Gedenk) toen hun broeder Shâlih tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet

Verse 143 — Surah Ash-Shuara 26:143

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper

Verse 144 — Surah Ash-Shuara 26:144

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 145 — Surah Ash-Shuara 26:145

En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden

Verse 146 — Surah Ash-Shuara 26:146

Zullen jullie in veiligheid gelaten worden temidden van wat hier is

Verse 147 — Surah Ash-Shuara 26:147

Temidden van tuinen en bronnen

Verse 148 — Surah Ash-Shuara 26:148

En akkerland en dadelpalmen met tere trossen

Verse 149 — Surah Ash-Shuara 26:149

En jullie houwen vaardig huizen uit in de bergen

Verse 150 — Surah Ash-Shuara 26:150

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij

Verse 151 — Surah Ash-Shuara 26:151

En geeft geen gehoor aan het bevel van de buitensporigen

Verse 152 — Surah Ash-Shuara 26:152

Degenen die verderf zaaien op de aarde en zich niet beteren

Verse 153 — Surah Ash-Shuara 26:153

Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort tot de betoverden

Verse 154 — Surah Ash-Shuara 26:154

Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng daarom een Teken als jij tot de waarachtigen behoort

Verse 155 — Surah Ash-Shuara 26:155

Hij (Shâlih) zei: "Dit is een vrouwtjeskameel, zij heeft recht om te drinken en jullie hebben recht om te drinken, (ieder) op een vastgestelde dag

Verse 156 — Surah Ash-Shuara 26:156

En treft haar niet met kwaad, want dan zal de straf van een Geweldige Dag jullie treffen

Verse 157 — Surah Ash-Shuara 26:157

Toen slachtten zij haar, daarna werden zij berouwvollen

Verse 158 — Surah Ash-Shuara 26:158

Toen trof de bestraffing hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen

Verse 159 — Surah Ash-Shuara 26:159

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige

Verse 160 — Surah Ash-Shuara 26:160

Het volk van Lôeth loochende de Boodschappers

Verse 161 — Surah Ash-Shuara 26:161

(Gedenk) toen hun broeder Lôeth tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet

Verse 162 — Surah Ash-Shuara 26:162

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper

Verse 163 — Surah Ash-Shuara 26:163

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 164 — Surah Ash-Shuara 26:164

En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden

Verse 165 — Surah Ash-Shuara 26:165

Waarom benaderen jullie van de wereldbcwoners de mannen

Verse 166 — Surah Ash-Shuara 26:166

En verlaten jullie hen die jullie Heer als echtgenotes geschapen heeft? Jullie zijn beslist een overtredend volk

Verse 167 — Surah Ash-Shuara 26:167

Zij zeiden: "O Lôeth, als jij er niet mee ophoudt, behoor jij tot de verdrevenen

Verse 168 — Surah Ash-Shuara 26:168

Hij in zei: "Voorwaar, ik behoor tot hen die jullie daden verachten

Verse 169 — Surah Ash-Shuara 26:169

Mijn Heer, red mij en mijn familie van wat zij doen

Verse 170 — Surah Ash-Shuara 26:170

En Wij hebben hem en zijn familie allen gered

Verse 171 — Surah Ash-Shuara 26:171

Behalve een oude vrouw onder de achterblijvers

Verse 172 — Surah Ash-Shuara 26:172

Toen vernietigden Wij de anderen

Verse 173 — Surah Ash-Shuara 26:173

En Wij deden een (vulkanische) regen op hen neerstromen, hoe slecht was de regen voor de gewaarschuwden

Verse 174 — Surah Ash-Shuara 26:174

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen

Verse 175 — Surah Ash-Shuara 26:175

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad), is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige

Verse 176 — Surah Ash-Shuara 26:176

De bewoners van Aikah loochenden de Boodschappers

Verse 177 — Surah Ash-Shuara 26:177

(Gedenk) toen Sjoe'aib tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet

Verse 178 — Surah Ash-Shuara 26:178

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper

Verse 179 — Surah Ash-Shuara 26:179

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij

Verse 180 — Surah Ash-Shuara 26:180

En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust slechts bij de Heer der Werelden

Verse 181 — Surah Ash-Shuara 26:181

En geeft de volle maat een behoort niet tot hen die tekort doen

Verse 182 — Surah Ash-Shuara 26:182

En weegt met juiste weegschalen

Verse 183 — Surah Ash-Shuara 26:183

En benadeelt niet de mensen in hun zaken en verricht geen kwaad op aarde, als verderfzaaiers

Verse 184 — Surah Ash-Shuara 26:184

En vreest Degene Die jullie en de vroegere generaties geschapen heeft

Verse 185 — Surah Ash-Shuara 26:185

Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort slechts tot de betoverden

Verse 186 — Surah Ash-Shuara 26:186

En jij bent slechts een mens als wij ein wij vinden dat jij zeker tot de leugenaars behoort

Verse 187 — Surah Ash-Shuara 26:187

Laat dan eens een stuk van de hemel op ons vallen, als jij tot de waarachtigen behoort

Verse 188 — Surah Ash-Shuara 26:188

Hij zei: "Mijn Heer weet het beste wat jullie doen

Verse 189 — Surah Ash-Shuara 26:189

Maar zij loochenden hem, waarop een bestraffing hen trofop een zwaarbewolkte dag. Voorwaar, het was een bestraffing van een geweldige dag

Verse 190 — Surah Ash-Shuara 26:190

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van ben zijn geen gelovigen

Verse 191 — Surah Ash-Shuara 26:191

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige

Verse 192 — Surah Ash-Shuara 26:192

En voorwaar, hij (de Koran) is zeker een neerzending van de Heer der Werelden

Verse 193 — Surah Ash-Shuara 26:193

Met hem (de Koran) daalde de getrouwe Geest (Djibrîl) neer

Verse 194 — Surah Ash-Shuara 26:194

Op jouw hart (O Moehammad), opdat jij tot de waarschuwers behoort

Verse 195 — Surah Ash-Shuara 26:195

In een duidelijke Arabische taal

Verse 196 — Surah Ash-Shuara 26:196

En voorwaar, hij (de Koran) is zeker (aangekondigd) in de Schriften van de vroegeren

Verse 197 — Surah Ash-Shuara 26:197

Is het voor hen dan geen teken dat de geleerden van de Kinderen van Israël hem kennen

Verse 198 — Surah Ash-Shuara 26:198

En als Wij hem am de niet-Arabieren hadden doen neerdalen

Verse 199 — Surah Ash-Shuara 26:199

(En als) hij hem dan aan ben voorgedragen had, dan hadden zij er niet in geloofd

Verse 200 — Surah Ash-Shuara 26:200

Op deze wijze deden Wij hem binnendringen in de barten van de misdadigers

Verse 201 — Surah Ash-Shuara 26:201

Zij zullen er niet in geloven totdat zij de pijnlijke bestraffing zien

Verse 202 — Surah Ash-Shuara 26:202

Die plotseling tot ben zal komen, terwijl zij het niet beseffen

Verse 203 — Surah Ash-Shuara 26:203

Dan zeggen zij: "Krijgen wij uitstel

Verse 204 — Surah Ash-Shuara 26:204

Vragen zij dan dat Onze bestraffing bespoedigd wordt

Verse 205 — Surah Ash-Shuara 26:205

Wat denk jij dan, als Wij hun (enige) jaren laten genieten

Verse 206 — Surah Ash-Shuara 26:206

En daarop tot hen komt wat beloofd was

Verse 207 — Surah Ash-Shuara 26:207

Het zal hun niet baten, wat hun aan genot gegeven was

Verse 208 — Surah Ash-Shuara 26:208

En Wij hebben geen stad vernietigd zonder dat er voor haar waarschuwers waren geweest

Verse 209 — Surah Ash-Shuara 26:209

Als een waarschuwing: en Wij weren geen onrechtvaardigen

Verse 210 — Surah Ash-Shuara 26:210

En hij (de Koran) is niet door de Satans neergedaald

Verse 211 — Surah Ash-Shuara 26:211

Het past hun niet en zij zijn er niet toe in staat

Verse 212 — Surah Ash-Shuara 26:212

Voorwaar, van het horen (ervan) zijn zij zeker buitengesloten

Verse 213 — Surah Ash-Shuara 26:213

Roept dus geen andere goden naast Allah aan, anders zal jij tot de bestraften behoren

Verse 214 — Surah Ash-Shuara 26:214

En waarschuw jouw naaste familieleden

Verse 215 — Surah Ash-Shuara 26:215

En wees bescheiden eva nederig tegenover de gelovigen die jou volgen

Verse 216 — Surah Ash-Shuara 26:216

En als zij jou dan ongehoorzam zijn, zeg dan: "Ik ben onschuldig aan wat jullie doen

Verse 217 — Surah Ash-Shuara 26:217

En vertrouw op de Almachtige, de Meest Barmhartige

Verse 218 — Surah Ash-Shuara 26:218

Degene Die jou ziet als jij staat (te bidden)

Verse 219 — Surah Ash-Shuara 26:219

En jouw bewegingen (ziet) onder de knielenden

Verse 220 — Surah Ash-Shuara 26:220

Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende

Verse 221 — Surah Ash-Shuara 26:221

Zal ik jou vertellen tot wie de Satans neerdalen

Verse 222 — Surah Ash-Shuara 26:222

Zij dalen neer tot elke zondige leugenaar

Verse 223 — Surah Ash-Shuara 26:223

Zij luisteren nam het gesprokene en de meesten van hen zijn leugenaars

Verse 224 — Surah Ash-Shuara 26:224

En de dichters; de dwalenden volgen hen

Verse 225 — Surah Ash-Shuara 26:225

Zie jij niet dat zij rusteloos ronddwalen in iedere vallei

Verse 226 — Surah Ash-Shuara 26:226

En dat zij zeker zeggen wat zij niet doen

Verse 227 — Surah Ash-Shuara 26:227

Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en Allah vaak gedenken. En zij overwinnen nadat hun onrecht is aangedaan. En degenen die onrecht pleegden zullen spoedig weten tot welke plaats van terugkeer zij zullen terugkeren