Verse 1 — Surah Hud 11:1
Alif Laam Raa. Dit is een Boek, waarvan de verzen onherroepelijk zijn gemaakt en bovendien zijn zij in bijzonderheden uitgelegd, door de Alwijze, de Alwetende
Verse 2 — Surah Hud 11:2
(Daarom) aanbidt slechts Allah. Voorzeker, ik (Mohammed) ben voor u een waarschuwer en drager van blijde tijdingen van Hem
Verse 3 — Surah Hud 11:3
En vraagt vergiffenis aan uw Heer en wendt u tot Hem, Hij zal u voor een vastgestelde periode van het goede voorzien. En Hij schenkt Zijn genade aan ieder die zich hiervoor verdienstelijk maakt. En als gij u afwendt dan vrees ik, voorzeker, voor u de straf van de grote Dag
Verse 4 — Surah Hud 11:4
Uw terugkeer is tot Allah en Hij heeft macht over alle dingen
Verse 5 — Surah Hud 11:5
Let op, zij verbergen hun vijandschap voor Hem in hun innerlijk. Ja, wanneer zij zich met hun kleding bedekken, weet Hij wat zij verbergen en wat zij tonen. Voorzeker, Hij weet goed wat in het innerlijk is
Verse 6 — Surah Hud 11:6
En er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of zijn voorziening berust bij Allah, Hij kent zijn tehuis en zijn verblijfplaats. Alles staat in een duidelijk Boek
Verse 7 — Surah Hud 11:7
En Hij is het, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep en Zijn troon rustte op water, opdat Hij u moge beproeven wiens gedrag het beste is. En indien gij (Profeet) zegt: 'Voorzeker, gij zult na de dood worden opgewekt,' zullen de ongelovigen zeggen: 'Dit is niets dan een zuiver bedrog
Verse 8 — Surah Hud 11:8
En als Wij hun straf tot een bepaalde tijd uitstellen, zeggen zij: 'Wie weerhoudt haar?' Ziet toe! de dag waarop zij over hen komt zal niemand haar kunnen afwenden, en hetgeen zij plachten te bespotten zal op hen nederkomen
Verse 9 — Surah Hud 11:9
Wanneer Wij de mens Onze barmhartigheid doen smaken en deze daarna van hem wegnemen, wordt hij voorwaar wanhopig en ondankbaar
Verse 10 — Surah Hud 11:10
En als Wij, nadat tegenspoed hem heeft geraakt, voorspoed doen smaken, zal hij voorzeker zeggen: 'De rampspoed is van mij geweken.' Ziet! hij wordt jubelend en aanmatigend
Verse 11 — Surah Hud 11:11
Maar degenen die geduldig zijn en goede werken verrichten, zullen vergiffenis en een grote beloning ontvangen
Verse 12 — Surah Hud 11:12
(Zij verbeelden zich dat) gij misschien een gedeelte van hetgeen is geopenbaard, zult opgeven; uw hart wordt er door benauwd, omdat zij zeggen: 'Waarom is er tot hem geen schat nedergezonden of waarom is er geen engel met hem gekomen?' Voorwaar, gij zijt slechts een waarschuwer en Allah is Voogd over alle dingen
Verse 13 — Surah Hud 11:13
Zeggen zij: 'Hij heeft dit (de Koran) verzonnen?' Antwoord: 'Breng dan tien dergelijke verzonnen hoofdstukken voort en roept buiten Allah wie gij kunt, als gij waarachtig zijt
Verse 14 — Surah Hud 11:14
En indien zij uw (uitdaging) niet aannemen, weet dan, dat het met Allah´s kennis is geopenbaard en dat er geen God is behalve Hij. Zult gij u dan onderwerpen
Verse 15 — Surah Hud 11:15
Wie het tegenwoordige leven en de schoonheden er van wenst, Wij zullen hen volgens hun werken in dit leven ten volle belonen en zij zullen daarin niet tekort worden gedaan
Verse 16 — Surah Hud 11:16
Dezen zijn degenen, die in het Hiernamaals niets dan het Vuur zullen ontvangen en hetgeen zij in dit leven verrichtten zal teniet gaan en hetgeen zij doen is vergeefs
Verse 17 — Surah Hud 11:17
Is hij dan (aan hen gelijk), die een duidelijk bewijs van zijn Heer bezit en wie een groot getuige van Hem volgt, en die voorafgegaan is door het Boek van Mozes, als richtsnoer en tot barmhartigheid? Dezen geloven in hem. En wie van de volkeren hem verwerpt, het Vuur zal zijn bestemming zijn. Koester dus geen twijfel daaromtrent. Voorzeker dit is de waarheid van uw Heer, maar de meeste mensen willen niet geloven
Verse 18 — Surah Hud 11:18
En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen Allah smeedt? Zulken zullen voor hun Heer worden gebracht en de getuigen zullen zeggen: 'Dezen zijn degenen die tegen hun Heer logen.' Ziet toe! de vloek van Allah rust op de onrechtvaardigen
Verse 19 — Surah Hud 11:19
Die van het pad van Allah afleiden, het krom wensend. En zij geloven niet in het Hiernamaals
Verse 20 — Surah Hud 11:20
Dezen kunnen in de wereld de straf niet ontvluchten, noch hebben zij enige vrienden naast Allah. De straf zal voor hen worden verdubbeld. Zij deden geen moeite om te horen, of te zien
Verse 21 — Surah Hud 11:21
Dezen zijn het, die hun ziel hebben te kort gedaan en hetgeen zij verzinnen, zal falen
Verse 22 — Surah Hud 11:22
Zij zijn ongetwijfeld degenen, die in het Hiernamaals de grootste verliezers zullen zijn
Verse 23 — Surah Hud 11:23
Voorwaar, die geloven en goede werken verrichten en die hun Heer gehoorzamen, zijn de bewoners van de Hemel, waarin zij zullen vertoeven
Verse 24 — Surah Hud 11:24
Het geval van de beide partijen is als de blinde en de dove, de ziende en de horende. Staat het geval van beiden gelijk? Wilt gij dan geen lering (hieruit) trekken
Verse 25 — Surah Hud 11:25
Wij zonden Noach tot zijn volk zeggende: 'Waarlijk, ik ben voor u een duidelijke waarschuwer
Verse 26 — Surah Hud 11:26
Dat gij niemand dan Allah zult aanbidden. Anders vrees ik voor u de straf van een pijnlijke dag
Verse 27 — Surah Hud 11:27
De leiders der ongelovigen onder zijn volk antwoordden: 'Wij zien in u slechts een man zoals wij en wij zien dat niemand u heeft gevolgd, behalve de minsten en de eenvoudigen van geest onder ons. En wij zien u niet uitmunten boven ons; neen, wij geloven dat gij een leugenaar zijt
Verse 28 — Surah Hud 11:28
Hij (Noach) zeide: 'O, mijn volk, zeg mij, als ik mij op een duidelijk bewijs van mijn Heer beroep en Hij mij grote barmhartigheid heeft geschonken, die voor u duister is gemaakt, moeten wij u dit opdringen, terwijl gij er afkerig van zijt
Verse 29 — Surah Hud 11:29
O, mijn volk, ik vraag u er geen geld voor. Mijn beloning is alleen bij Allah. En ik wil de gelovigen niet verdrijven, zij zullen voorzeker hun Heer ontmoeten. Maar ik beschouw u als een volk, dat onwetend handelt
Verse 30 — Surah Hud 11:30
O, mijn volk, wie zou mij tegen Allah helpen als ik hen zou verdrijven? Wilt gij dan geen lering hieruit trekken
Verse 31 — Surah Hud 11:31
En ik zeg u niet: ´Ik bezit de schatten van Allah´, noch ken ik het onzienlijke, noch zeg ik: ´Ik ben een engel´.' 'Noch zeg ik over degenen, die gij minacht dat Allah hun geen goeds zal schenken. Allah weet het best, wat in hun innerlijk is. Anders zou ik zeker tot de onrechtvaardigen behoren
Verse 32 — Surah Hud 11:32
Zij antwoordden: 'O Noach, gij hebt inderdaad met ons getwist en veel getwist, breng ons nu de straf waarmede gij ons hebt gedreigd, als gij waarachtig zijt
Verse 33 — Surah Hud 11:33
Hij zeide: 'Alleen Allah zal deze over u brengen als Hij wil, en gij kunt niets verijdelen
Verse 34 — Surah Hud 11:34
En als ik u raad geef zal mijn raad u niet baten als Allah u wenst te vernietigen. Hij is uw Heer en tot Hem zult gij worden teruggebracht
Verse 35 — Surah Hud 11:35
Zeggen zij: 'Hij heeft het verzonnen?' Zeg: 'Als ik het heb verzonnen, zal mijn zonde op mij rusten doch ik heb niets uitstaande met hetgeen gij begaat
Verse 36 — Surah Hud 11:36
En er werd aan Noach geopenbaard: 'Niemand onder uw volk zal geloven, dan degenen die reeds hebben geloofd; treur daarom niet over hetgeen zij doen
Verse 37 — Surah Hud 11:37
En bouw de ark voor Onze ogen en volgens Onze voorschriften op. En roep Mij omtrent de onrechtvaardigen niet aan. Zij zullen zeker worden verdronken.´´
Verse 38 — Surah Hud 11:38
En hij was de ark aan het bouwen en steeds wanneer de leiders van zijn volk hem voorbijgingen, bespotten zij hem. Hij zeide: 'Als gij ons bespot, zullen wij u (later) bespotten zoals gij (ons) nu doet
Verse 39 — Surah Hud 11:39
Dan zult gij weten wie het is, over wie een vernederende straf komt en op wie een blijvende straf zal rusten
Verse 40 — Surah Hud 11:40
Toen Ons gebod kwam en de bronnen der aarde spoten, zeiden Wij: 'Scheept twee paar van alles in, en uw familie - met uitzondering van degenen, tegen wie het woord reeds is uitgegaan - en de gelovigen.' En met hem geloofden slechts weinigen
Verse 41 — Surah Hud 11:41
En hij (Noach) zeide: 'Scheept u in. In naam van Allah zij haar vaart en haar ankeren. Mijn Heer is voorzeker Vergevensgezind, Genadevol
Verse 42 — Surah Hud 11:42
En zij bewoog zich met hen op golven als bergen voort. En Noach riep tot zijn zoon, die zich afzijdig hield: 'O mijn zoon, scheep u met ons in en wees niet met de ongelovigen
Verse 43 — Surah Hud 11:43
Hij antwoordde: 'Ik zal mijn toevlucht weldra op een berg zoeken, die mij tegen het water zal beschermen.' Hij antwoordde: 'Er is deze dag geen beschermer tegen het gebod van Allah, met uitzondering van degenen wie Hij barmhartigheid toont.' En een golf kwam tussen beiden, hij behoorde tot de drenkelingen
Verse 44 — Surah Hud 11:44
En er werd gezegd: ' O, aarde, slok op uw water en o, hemel, houd op (met regenen).' En het water werd tot zakken gebracht en het gebod was vervuld. En de Ark kwam op (de berg) Al-Djoedie te rusten. En er werd gezegd: 'Vervloekt zij het onrechtvaardige volk
Verse 45 — Surah Hud 11:45
En Noach riep zijn Heer aan en zeide: 'Mijn Heer, mijn zoon is voorwaar van mijn familie en Uw belofte is voorzeker waar en Gij zijt de Rechter der rechters
Verse 46 — Surah Hud 11:46
Hij (God) zeide: 'O, Noach, hij behoort niet tot uw gezin omdat zijn daden niet goed zijn; daarom vraag Mij niet over hetgeen waarvan gij geen kennis bezit. Ik geef u raad om niet tot de onwetenden te behoren
Verse 47 — Surah Hud 11:47
Hij zeide: 'Mijn Heer, ik zoek mijn toevlucht tot U om niet te vragen waar ik geen kennis van heb. En indien Gij mij niet vergeeft noch mij barmhartigheid betoont, zal ik onder de verliezers zijn
Verse 48 — Surah Hud 11:48
En er werd gezegd: 'O Noach, daal dan af (uit de ark) met Onze vrede en met zegeningen over u en over de volkeren die met u zijn. En er zullen andere volkeren zijn wie Wij een (aardse) voorziening zullen schenken, daarna zal een pijnlijke straf van Ons hen raken
Verse 49 — Surah Hud 11:49
Dit zijn de mededelingen van het onzienlijke die Wij u openbaren, welke gij noch uw volk voorheen kende. Wees geduldig, waarlijk het einde is voor de godvrezenden
Verse 50 — Surah Hud 11:50
En tot de Aad zeide hun broeder Hoed: 'O, mijn volk, aanbid Allah. Gij hebt geen God naast Hem. Gij verzint slechts leugens
Verse 51 — Surah Hud 11:51
O, mijn volk, ik vraag van u geen beloning hiervoor; mijn beloning is alleen bij Hem, Die mij schiep. Wilt gij dan niet begrijpen
Verse 52 — Surah Hud 11:52
En o, mijn volk, vraag vergiffenis van uw Heer, wend u daarna tot Hem, Hij zal wolken die regelmatig regen nedergieten over u zenden en kracht bij uw kracht voegen. En wend u niet af als schuldigen
Verse 53 — Surah Hud 11:53
Zij zeiden: 'O Hoed, gij hebt ons geen enkel duidelijk bewijs gebracht en wij zullen onze Goden niet in de steek laten, om hetgeen gij zegt noch zullen wij u geloven
Verse 54 — Surah Hud 11:54
Wij kunnen alleen zeggen dat sommige onzer Goden u met kwaad hebben bezocht.' Hij antwoordde: 'Voorzeker, ik roep Allah tot getuige en getuigt gij ook, dat ik niets met uw afgoden uitstaande heb
Verse 55 — Surah Hud 11:55
Smeedt daarom allen buiten Hem plannen tegen mij en geeft mij geen uitstel
Verse 56 — Surah Hud 11:56
Ik heb voorzeker mijn vertrouwen in Allah gesteld, Die mijn Heer en uw Heer is. Er is geen schepsel, dat zich op aarde beweegt, of Hij houdt het in Zijn macht. Voorzeker, mijn Heer is op het rechte pad
Verse 57 — Surah Hud 11:57
Indien gij u afwendt, dan heb ik u hetgeen waarmede ik tot u ben gezonden medegedeeld, en mijn Heer zal een ander volk uw plaats doen innemen. Gij kunt Hem in het geheel niet deren. Voorzeker, mijn Heer is Bewaker over alle dingen
Verse 58 — Surah Hud 11:58
En toen Ons gebod kwam, redden Wij Hoed en de gelovigen met hem, door Onze barmhartigheid. En Wij bevrijdden hen van een zware foltering
Verse 59 — Surah Hud 11:59
En dezen waren de Aad. Zij verloochenden de tekenen van hun Heer en gehoorzaamden Zijn boodschappers niet en volgden het bevel van elke opstandige vijand op
Verse 60 — Surah Hud 11:60
En er werd een vloek op hen gelegd in deze wereld en op de dag der Opstanding. Ziet! de Aad verwierpen hun Heer. Ziet! vervloekt zij de Aad, het volk van Hoed
Verse 61 — Surah Hud 11:61
En tot de Samoed zeide hun broeder Salih: 'O, mijn volk, aanbid Allah; gij hebt geen God naast Hem. Hij wekte u op vanuit de aarde en vestigde u er. Vraagt vergiffenis aan Hem en bekeert u tot Hem. Voorwaar, mijn Heer is nabij, Verhorende
Verse 62 — Surah Hud 11:62
Zij zeiden: 'O Salih, gij waart onze hoop. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden wat onze vaderen aanbaden? En wij zijn voorzeker in verontrustende twijfel over hetgeen, waartoe gij ons roept
Verse 63 — Surah Hud 11:63
Hij zeide: 'O, mijn volk, zeg mij, als ik een duidelijk bewijs van mijn Heer heb ontvangen en Hij mij barmhartigheid heeft geschonken, wie zal mij dan naast Allah helpen als ik Hem niet gehoorzaam? Gij zult slechts tot mijn ondergang bijdragen
Verse 64 — Surah Hud 11:64
En o, mijn volk, dit is de kamelin van Allah als teken voor u; laat haar daarom met rust opdat zij zich (in vrijheid) op Allah´s aarde moge voeden en doe haar geen kwaad, anders zal de eerste de beste straf u treffen
Verse 65 — Surah Hud 11:65
Maar zij verlamden haar; toen zeide hij (Salih): 'Vermaakt u voor drie dagen in uw huizen. Dit is een belofte die niet geloochend kan worden
Verse 66 — Surah Hud 11:66
En toen Ons gebod kwam, redden Wij Salih en met hem de gelovigen door Onze barmhartigheid en Wij redden hen van de schande van die dag. Voorzeker, uw Heer is Sterk, Almachtig
Verse 67 — Surah Hud 11:67
De straf achterhaalde degenen die kwaad hadden gesticht en zij lagen uitgestrekt in hun huizen
Verse 68 — Surah Hud 11:68
Alsof zij er nooit in hadden gewoond. Ziet! de Samoed verwierpen hun Heer; ziet! vervloekt zij de Samoed
Verse 69 — Surah Hud 11:69
En voorzeker Onze boodschappers kwamen met blijde tijdingen tot Abraham. Zij zeiden: 'Vrede zij met u.' Hij antwoordde: 'Vrede zij met u' en terstond bracht hij een gebraden kalf
Verse 70 — Surah Hud 11:70
Maar toen hij zag dat hun handen er zich niet naar uitstrekten, vond bij hen vreemd en vreesde hen. Zij zeiden: 'Vrees niet, want wij zijn tot het volk van Lot gezonden
Verse 71 — Surah Hud 11:71
En zijn vrouw stond er bij en verwonderde zich, waarop Wij haar de blijde tijding van de geboorte van Izaak gaven en na Izaak van Jacob
Verse 72 — Surah Hud 11:72
Zij zeide: 'O wonder! Zal ik een kind baren nu ik een oude vrouw ben en deze mijn echtgenoot een oude man is? Dit is inderdaad iets wonderbaarlijks
Verse 73 — Surah Hud 11:73
Zij zeiden: 'Verwondert gij u over Allah´s gebod? De barmhartigheid van Allah en Zijn zegeningen zijn over u, o bewoners van dit huis. Voorzeker, Hij is Geprezen, Glorierijk
Verse 74 — Surah Hud 11:74
En toen de vrees Abraham verliet en de blijde tijding tot hem kwam, begon hij met ons over het volk van Lot te redetwisten
Verse 75 — Surah Hud 11:75
Abraham was inderdaad verdraagzaam, zachtmoedig en wendde zich dikwijls (tot God)
Verse 76 — Surah Hud 11:76
O Abraham, wend u hiervan af. Het gebod van uw Heer is uitgegaan en een onafwendbare straf komt over hen
Verse 77 — Surah Hud 11:77
En toen Onze boodschappers tot Lot kwamen was hij verdrietig en voelde zich bezwaard om hen en zeide: 'Dit is een moeilijke dag
Verse 78 — Surah Hud 11:78
Zijn volk kwam haastig naar hem toe. Ook voordien plachten zij kwaad te doen. Hij (Lot) zeide: 'O, mijn volk, dit zijn mijn dochters, zij zijn te rein voor u. Vrees daarom Allah en onteer mij niet wegens mijn gasten. Is er onder u geen weldenkend man
Verse 79 — Surah Hud 11:79
Zij antwoordden: 'Gij weet wel, dat wij geen recht hebben op uw dochters en gij weet ook, wat wij wensen
Verse 80 — Surah Hud 11:80
Hij zeide: 'Ach, had ik slechts de macht u weerstand te kunnen bieden of tot een machtige steun toevlucht te nemen
Verse 81 — Surah Hud 11:81
Zij (de boodschappers) zeiden: 'O Lot, Wij zijn de boodschappers van uw Heer, zij zullen u stellig niet bereiken. Vertrek met uw familie gedurende de nacht, laat niemand uwer omkijken dan uw vrouw. Zeker zal haar overkomen wat hun gaat overkomen. Voorwaar, de vastgestelde tijd is de ochtendstond. Is de morgen niet nabij
Verse 82 — Surah Hud 11:82
Toen Ons gebod kwam, keerden Wij die stad ondersteboven en Wij deden er brokken klei laag boven laag op regenen
Verse 83 — Surah Hud 11:83
Die volgens de verordening van uw Heer waren gemerkt. En zulk een straf is niet ver verwijderd van de onrechtvaardigen
Verse 84 — Surah Hud 11:84
En tot Midian zeide hun broeder Shoaib: 'O mijn volk, aanbid Allah. Gij hebt geen andere God, dan Hem. En geef geen korte maat of licht gewicht. Ik zie u in voorspoed en ik vrees voor u de straf van een alles omvattende dag
Verse 85 — Surah Hud 11:85
En o, mijn volk, geef volle maat en juist gewicht met rechtvaardigheid en bedrieg de mensen niet met hun goederen noch sticht onheil op aarde
Verse 86 — Surah Hud 11:86
Hetgeen Allah u heeft toebedeeld, is beter voor u als gij gelovigen zijt. En ik ben geen bewaker over u
Verse 87 — Surah Hud 11:87
Zij antwoordden: 'O Shoaib, beveelt uw gebed, dat wij hetgeen onze vaderen aanbaden, zouden verlaten of dat wij zouden ophouden met ons eigendom te doen wat wij willen? Gij zijt inderdaad verstandig, recht geleid
Verse 88 — Surah Hud 11:88
Hij zeide: 'O mijn volk, wat meent gij indien ik een duidelijk bewijs van mijn Heer heb en Hij mij een goede voorziening heeft geschonken? En ik wil niet, in tegenstelling tot u, mijzelf veroorloven, hetgeen ik u verbied. Ik wil alleen, voor zover ik kan, een verbetering aanbrengen. Alleen door Allah ben ik hiertoe in staat. In Hem vertrouw ik en tot Hem wend ik mij
Verse 89 — Surah Hud 11:89
O, mijn volk, laat vijandigheid jegens mij u niet er toe leiden, dat hetzelfde u overkome als hetgeen het volk van Noach of het volk van Hoed of het volk van Salih overkwam; en het volk van Lot is niet ver van u
Verse 90 — Surah Hud 11:90
En zoek vergiffenis van uw Heer en bekeer u tot Hem. Voorwaar, mijn Heer is Genadig, Liefdevol
Verse 91 — Surah Hud 11:91
Zij antwoordden: 'O, Shoaib, wij begrijpen niet veel van hetgeen gij zegt en wij zien voorzeker, dat gij zwak zijt tegenover ons. Was het niet, om uw gezin, wij zouden u zeker stenigen, want gij zijt niet in aanzien bij ons
Verse 92 — Surah Hud 11:92
Hij zeide: 'O, mijn volk, is mijn gezin waardiger bij u dan Allah? En gij hebt Hem als waardeloos verworpen. Voorzeker, mijn Heer omvat al hetgeen gij doet
Verse 93 — Surah Hud 11:93
En o, mijn volk, handel op uw wijze, ik handel op de mijne. Gij zult weldra te weten komen over wie een vernederende straf komt en wie een leugenaar is. En wacht af, ik wacht gewis met u
Verse 94 — Surah Hud 11:94
En toen Ons gebod kwam, redden Wij Shoaib en met hem de gelovigen door Onze barmhartigheid en kastijding greep de onrechtvaardigen zodat zij uitgestrekt in hun huizen lagen
Verse 95 — Surah Hud 11:95
Alsof zij er nooit hadden gewoond. Ziet! het volk van Midian is vervloekt, zoals Samoed was vervloekt
Verse 96 — Surah Hud 11:96
Wij zonden Mozes voorzeker met Onze tekenen en duidelijk gezag
Verse 97 — Surah Hud 11:97
Naar Pharao en zijn leiders, zij volgden het gebod van Pharao maar het gebod van Pharao was in het geheel niet verstandig
Verse 98 — Surah Hud 11:98
Hij zal op de Dag der Opstanding voor zijn volk uitgaan en hen naar het Vuur leiden. En slecht is de plaats die wordt bereikt
Verse 99 — Surah Hud 11:99
En er werd hun in dit leven en op de Dag der Opstanding een vloek opgelegd. Slecht is de gave, die zal worden gegeven
Verse 100 — Surah Hud 11:100
Dit zijn de tijdingen over de steden die Wij u verhalen. Sommige er van bleven staan en andere werden weggevaagd
Verse 101 — Surah Hud 11:101
En Wij deden hun geen onrecht maar zij deden zichzelf onrecht aan. En hun goden, die zij naast Allah aanriepen, baatten hen in het geheel niet toen het gebod van uw Heer kwam; zij voegden hun slechts verderf toe
Verse 102 — Surah Hud 11:102
Zo is de greep van uw Heer, wanneer Hij de steden grijpt, terwijl zij kwaad verrichten. Voorzeker, Zijn greep is smartelijk en hard
Verse 103 — Surah Hud 11:103
Hierin is gewis een teken voor hem die de straf van het Hiernamaals vreest. Dat is een dag waarop de mensheid zal worden verzameld en dat is een dag waarvan men getuige zal zijn
Verse 104 — Surah Hud 11:104
En Wij stellen het slechts voor een bepaalde tijd uit
Verse 105 — Surah Hud 11:105
De dag, waarop het komt, zal geen ziel zonder Zijn toestemming spreken; dan zullen sommigen hunner ongelukkig en anderen gelukkig zijn
Verse 106 — Surah Hud 11:106
Degenen dan, die ongelukkig zullen zijn, zullen in het Vuur zijn waarin zij zullen zuchten en steunen
Verse 107 — Surah Hud 11:107
En er, zolang de Hemelen en de Aarde bestaan in vertoeven, met uitzondering van hetgeen uw Heer moge behagen. Zeker, uw Heer brengt teweeg wat Hij wil
Verse 108 — Surah Hud 11:108
Maar degenen, die gelukkig zullen blijken te zijn, zullen in de Hemel vertoeven, zolang de Hemelen en de Aarde bestaan, met uitzondering van hetgeen uw Heer moge behagen, een gave, die niet zal worden afgesneden
Verse 109 — Surah Hud 11:109
Wees dus niet in twijfel, omtrent hetgeen deze mensen aanbidden: zij aanbidden slechts, zoals hun vaderen voorheen aanbaden en Wij zullen hun voorzeker hetgeen hen toekomt ten volle en onverminderd geven
Verse 110 — Surah Hud 11:110
En Wij gaven Mozes voorzeker het Boek, maar men werd er oneens over; en ware het niet door een woord dat reeds van uw Heer was uitgegaan de zaak zou voorzeker voor hen zijn beslist; en waarlijk zij zijn er in een verontrustende twijfel over
Verse 111 — Surah Hud 11:111
En uw Heer zal hen allen naar hun werken ten volle vergelden. Hij is wel op de hoogte van hetgeen zij doen
Verse 112 — Surah Hud 11:112
Blijf daarom standvastig zoals u is bevolen en ook degenen, die zich met u hebben bekeerd en overtreedt de grenzen niet, want Hij ziet voorzeker, wat gij doet
Verse 113 — Surah Hud 11:113
En neig u niet tot de onrechtvaardigen, anders zal het Vuur ook u aanraken en gij zult naast Allah geen vrienden hebben noch zult gij worden geholpen
Verse 114 — Surah Hud 11:114
Houd het gebed aan de twee uitersten van de dag en gedurende de eerste uren van de nacht. Voorzeker, goede werken verdrijven kwade werken. Dit is een aanmaning voor degenen die er lering uit trekken
Verse 115 — Surah Hud 11:115
En wees standvastig, voorzeker, Allah doet het loon der rechtvaardigen niet verloren gaan
Verse 116 — Surah Hud 11:116
Waarom waren er onder de geslachten die v��r u waren dan geen verstandige mensen, die het verderf op aarde konden verhinderen op enkelen na, die Wij uit hun midden redden? Maar de onrechtvaardigen volgden datgene waarin hun overvloed werd verleend en zij waren schuldig
Verse 117 — Surah Hud 11:117
Uw Heer zal de steden niet onrechtvaardig vernietigen, terwijl de bewoners er van oprecht zijn
Verse 118 — Surah Hud 11:118
En indien uw Heer had gewild, zou Hij het mensdom voorzeker tot ��n volk hebben gemaakt, maar zij zullen blijven verschillen
Verse 119 — Surah Hud 11:119
Met uitzondering van degenen, die uw Heer barmhartigheid heeft betoond - hiervoor heeft Hij hen geschapen - maar het woord van uw Heer: 'Voorwaar Ik zal de hel met djinn en mensen allen tezamen vullen,' is vervuld
Verse 120 — Surah Hud 11:120
En de tijdingen der boodschappers verhalen Wij u om daardoor uw hart te versterken. Hierdoor is de waarheid en een vermaning en een les voor de gelovigen tot u gekomen
Verse 121 — Surah Hud 11:121
En zeg tot degenen die niet geloven: 'Handelt naar uw vermogen, wij handelen ook
Verse 122 — Surah Hud 11:122
En wacht af, wij wachten ook
Verse 123 — Surah Hud 11:123
En aan Allah behoren de geheimen van de hemelen en de aarde en naar Hem zal het geheel worden teruggebracht. Aanbid Hem daarom en leg uw vertrouwen in Hem. En uw Heer is niet onachtzaam over hetgeen gij doet