Back to Languages

Dutch - Chapter 20 - Ta-Ha

Translation by Van De Taal — Permalink

Verse 1 — Surah Ta-Ha 20:1

Verse 2 — Surah Ta-Ha 20:2

Wij hebben u de Koran niet geopenbaard opdat gij (er door) ongelukkig zoudt worden

Verse 3 — Surah Ta-Ha 20:3

Doch als een vermaning voor hem die (God) vreest

Verse 4 — Surah Ta-Ha 20:4

Een openbaring van Hem, Die de aarde en de verheven hemelen heeft geschapen

Verse 5 — Surah Ta-Ha 20:5

De Barmhartige, Die Zich nederzette op de Troon

Verse 6 — Surah Ta-Ha 20:6

Hem behoort al hetgeen in de hemelen en op aarde is, eveneens hetgeen er tussen ligt en hetgeen zich onder de grond bevindt

Verse 7 — Surah Ta-Ha 20:7

Of gij het woord luide verkondigt (of fluistert), Hij kent het geheime en verborgene

Verse 8 — Surah Ta-Ha 20:8

Allah, - er is geen God dan Hij. Hij heeft de schoonste eigenschappen

Verse 9 — Surah Ta-Ha 20:9

Hebt gij de geschiedenis van Mozes gehoord

Verse 10 — Surah Ta-Ha 20:10

Toen hij een vuur zag, zeide hij tot de zijnen: 'Blijft hier, ik bespeur een vuur; misschien zal ik u daarvan een vuurbrand kunnen brengen of door het vuur de weg vinden

Verse 11 — Surah Ta-Ha 20:11

En toen hij het (vuur) naderde werd hij aangeroepen: 'O Mozes

Verse 12 — Surah Ta-Ha 20:12

Voorwaar, Ik ben uw Heer, ontdoe u van uw schoeisel; want gij zijt in de heilige vallei van Towa

Verse 13 — Surah Ta-Ha 20:13

Ik heb u uitverkoren; luister dus naar hetgeen wordt geopenbaard

Verse 14 — Surah Ta-Ha 20:14

Voorwaar, Ik ben Allah; er is geen God behalve Ik, aanbid Mij derhalve en verricht het gebed tot Mijn gedachtenis

Verse 15 — Surah Ta-Ha 20:15

Zie, het Uur komt. Ik zal het onthullen opdat elke ziel de beloning zal ontvangen waarnaar zij streeft

Verse 16 — Surah Ta-Ha 20:16

Laat degene die er niet in gelooft en zijn eigen neigingen volgt, u er niet van afwenden; anders zoudt gij verloren gaan

Verse 17 — Surah Ta-Ha 20:17

En wat hebt gij in uw rechter hand, O Mozes

Verse 18 — Surah Ta-Ha 20:18

Hij antwoordde: 'Dit is mijn staf waarop ik leun, en waarmee ik bladeren afsla voor mijn kudde; ik gebruik hem ook voor andere doeleinden

Verse 19 — Surah Ta-Ha 20:19

Hij zeide: 'Werp hem neer o Mozes

Verse 20 — Surah Ta-Ha 20:20

Dus wierp hij hem neer, en zie, het was een kronkelende slang

Verse 21 — Surah Ta-Ha 20:21

God zeide: 'Raap hem op en vrees niet. Wij zullen hem in zijn vroegere staat herstellen

Verse 22 — Surah Ta-Ha 20:22

En leg uw hand onder uw arm, zij zal wit worden zonder ziekte. Nog een teken (is dit)

Verse 23 — Surah Ta-Ha 20:23

Opdat Wij u Onze grotere tekenen mogen tonen

Verse 24 — Surah Ta-Ha 20:24

Ga naar Pharao; hij heeft inderdaad de perken overschreden

Verse 25 — Surah Ta-Ha 20:25

Hij zeide: 'Mijn Heer, verruim mijn borst

Verse 26 — Surah Ta-Ha 20:26

En maak mij mijn taak lichter

Verse 27 — Surah Ta-Ha 20:27

En ontdoe de knoop in mijn tong

Verse 28 — Surah Ta-Ha 20:28

Opdat zij (de mensen) mijn woorden mogen verstaan

Verse 29 — Surah Ta-Ha 20:29

Geef mij een helper uit mijn familie

Verse 30 — Surah Ta-Ha 20:30

A�ron, mijn broeder

Verse 31 — Surah Ta-Ha 20:31

Vergroot mijn kracht door hem

Verse 32 — Surah Ta-Ha 20:32

En laat hem mijn arbeid delen

Verse 33 — Surah Ta-Ha 20:33

Opdat wij U veel mogen verheerlijken

Verse 34 — Surah Ta-Ha 20:34

En U zeer indachtig mogen zijn

Verse 35 — Surah Ta-Ha 20:35

Voorzeker Gij doorziet ons

Verse 36 — Surah Ta-Ha 20:36

God zeide: 'Uw verzoek is ingewilligd, o Mozes

Verse 37 — Surah Ta-Ha 20:37

En bij een andere gelegenheid bewezen Wij u ook een gunst

Verse 38 — Surah Ta-Ha 20:38

Toen Wij uw moeder openbaarden

Verse 39 — Surah Ta-Ha 20:39

´Plaats hem in het kistje en werp dit in de rivier, dan zal de rivier het op de oever werpen, zodat een vijand van Mij en van hem, hem zal opnemen´. En Ik omhulde u met Mijn liefde; opdat gij zoudt worden grootgebracht voor Mijn oog

Verse 40 — Surah Ta-Ha 20:40

Toen uw zuster voorbijkwam en zeide: ´Zal ik u iemand noemen die hem zal verzorgen?´ Aldus schonken Wij u terug aan uw moeder opdat haar oog zou worden verfrist en zij niet zou treuren. En gij dooddet een man, doch Wij verlosten u van smart. En Wij beproefden u op verschillende manieren. En gij vertoefdet jaren te midden van het volk van Midian. Dan zijt gij, o Mozes, herwaarts gekomen zoals besloten was

Verse 41 — Surah Ta-Ha 20:41

En Ik heb u uitverkoren voor Mijzelf

Verse 42 — Surah Ta-Ha 20:42

Gaat, gij en uw broeder, met Mijn tekenen, en verwaarloost niet Mijner indachtig te zijn

Verse 43 — Surah Ta-Ha 20:43

Gaat gij beiden tot Pharao, want hij is alle perken te buiten gegaan

Verse 44 — Surah Ta-Ha 20:44

Doch spreekt tot hem op welwillende wijze, opdat hij er lering uit moge trekken, of vrezen

Verse 45 — Surah Ta-Ha 20:45

Zij antwoordden: 'Onze Heer, wij vrezen dat hij tegenover ons gewelddadig zal zijn of opstandig zal worden

Verse 46 — Surah Ta-Ha 20:46

Hij (Allah) zei: 'Vreest niet, want Ik ben met u. Ik hoor en Ik zie

Verse 47 — Surah Ta-Ha 20:47

Gaat dus naar hem toe en zegt: ´Wij zijn de boodschappers van uw Heer; laat derhalve de kinderen van Isra�l met ons weggaan, en doe hun geen leed aan. Wij hebben u, voorwaar, een teken gebracht van uw Heer; vrede rust op hem die de leiding volgt;´

Verse 48 — Surah Ta-Ha 20:48

´Het is ons geopenbaard dat kastijding zal komen over hem, die loochent en zich afwendt.´

Verse 49 — Surah Ta-Ha 20:49

Pharao zeide: 'Wie is uw Heer, o Mozes

Verse 50 — Surah Ta-Ha 20:50

Hij antwoordde: 'Onze Heer is Hij, Die aan alles een eigen vorm gaf en het daarna leidde

Verse 51 — Surah Ta-Ha 20:51

Hij (Pharao) zeide: 'Hoe staat het met vroegere geslachten

Verse 52 — Surah Ta-Ha 20:52

De kennis daarvan is bij mijn Heer in een Boek. Mijn Heer dwaalt, noch vergeet,' zeide Mozes

Verse 53 — Surah Ta-Ha 20:53

Hij is het Die u de aarde heeft gegeven tot een wieg en wegen voor u heeft doen ontstaan en Die regen doet nederdalen uit de hemel, waardoor Hij allerlei planten voortbrengt

Verse 54 — Surah Ta-Ha 20:54

(Zeggende): 'eet hiervan en weidt uw vee.' Voorwaar, hierin liggen tekenen voor degenen die verstand bezitten

Verse 55 — Surah Ta-Ha 20:55

Uit de aarde hebben Wij u geschapen en daarin zullen Wij u doen terugkeren en daaruit zullen Wij u weer opwekken

Verse 56 — Surah Ta-Ha 20:56

En Wij toonden (Pharao) Onze tekenen, doch hij loochende deze en weigerde deze (te geloven)

Verse 57 — Surah Ta-Ha 20:57

Hij zeide: 'Zijt gij tot mij gekomen, o Mozes, om ons door uw toverkunst uit ons land te verdrijven

Verse 58 — Surah Ta-Ha 20:58

Voorzeker, wij zullen gelijkwaardige toverkunst tegenover (de uwe) stellen; maak derhalve een afspraak met ons die wij noch gij zullen verzuimen na te komen op een plaats (voor beiden) gelijk

Verse 59 — Surah Ta-Ha 20:59

Hij zeide: 'Uw afspraak zal plaats vinden op de dag van het feest en laat het volk bijeenkomen in de voormiddag

Verse 60 — Surah Ta-Ha 20:60

Daarop trok Pharao zich terug en stelde zijn plan vast en kwam vervolgens (op de bijeenkomst)

Verse 61 — Surah Ta-Ha 20:61

Mozes zeide tot hen: 'Wee u; verzint geen leugen over Allah, anders zal Hij u door een kastijding verdelgen. Hij die een leugen verzint, slaagt nimmer

Verse 62 — Surah Ta-Ha 20:62

Vervolgens redetwistten zij (de tegenstanders) onder elkander over hun aangelegenheden en pleegden geheim overleg

Verse 63 — Surah Ta-Ha 20:63

Zij zeiden: 'Deze twee zijn zeker tovenaars die u met behulp van hun toverkunst uit uw land wensen te verdrijven en uw schone kultuur te vernietigen

Verse 64 — Surah Ta-Ha 20:64

Beraamt derhalve uw plan en treedt dan eensgezind naar voren. En voorwaar hij die op deze dag zegeviert, zal zeker slagen

Verse 65 — Surah Ta-Ha 20:65

Zij zeiden: 'O Mozes, werpt gij, of zullen wij de eersten zijn om te werpen

Verse 66 — Surah Ta-Ha 20:66

Hij zeide: 'Neen, werpt gij.' Dan ziet, het scheen hem wegens hun toverkunst toe, dat hun koorden en staven zich voortbewogen

Verse 67 — Surah Ta-Ha 20:67

En Mozes sloeg de angst om het hart

Verse 68 — Surah Ta-Ha 20:68

Wij zeiden: 'Vrees niet, want gij zijt de overwinnaar

Verse 69 — Surah Ta-Ha 20:69

Werp hetgeen in uw rechter hand is; het zal wat zij hebben voortgebracht verslinden, want hetgeen zij hebben gemaakt is slechts toverkunst. En een tovenaar slaagt nooit waar hij ook moge komen

Verse 70 — Surah Ta-Ha 20:70

En de tovenaars werden plat ter aarde geworpen, zich nederbuigend. Zij zeiden: 'Wij geloven in de Heer van A�ron en Mozes

Verse 71 — Surah Ta-Ha 20:71

Pharao zeide tot hen: 'Gelooft gij in Hem eer ik u daartoe verlof geef? Hij moet uw meester zijn die u in de toverkunst heeft onderwezen. Daarom zal ik uw handen en voeten aan de tegenovergestelde kant afhakken en ik zal u voorzeker aan de stammen van palmbomen kruisigen; en gij zult met zekerheid weten wie van ons gestrenger en langduriger is in het straffen

Verse 72 — Surah Ta-Ha 20:72

Zij zeiden: 'In geen geval zullen wij u verkiezen boven de duidelijke tekenen die tot ons zijn gekomen, en boven Hem Die ons geschapen heeft. Doet derhalve wat gij wilt; gij kunt alleen over het leven dezer wereld beslissen

Verse 73 — Surah Ta-Ha 20:73

Voorzeker, wij hebben geloofd in onze Heer opdat Hij ons onze zonden en de tovenarij die gij ons hebt gedwongen te bedrijven, moge vergeven. Allah is de Beste, de Bestendigste

Verse 74 — Surah Ta-Ha 20:74

Voorwaar hij die tot zijn Heer komt als schuldige, hem wacht de (straf der) hel: hij zal daarin sterven noch leven

Verse 75 — Surah Ta-Ha 20:75

Doch die als gelovigen tot Hem komen en goede werken hebben verricht, zullen de hoogste graden der gelukzaligheid ontvangen

Verse 76 — Surah Ta-Ha 20:76

Tuinen der eeuwigheid waar doorheen rivieren stromen en waarin zij voor eeuwig zullen vertoeven. En dat is de beloning dergenen die zich louteren

Verse 77 — Surah Ta-Ha 20:77

Wij openbaarden Mozes: 'Voer Mijn dienaren weg in de nacht en baan voor hen een droge weg door de zee. Gij behoeft niet te vrezen, dat gij zult worden ingehaald, noch zult gij angstig zijn

Verse 78 — Surah Ta-Ha 20:78

Alsdan achtervolgde hen Pharao met zijn leger en toen overspoelde de zee hen allen

Verse 79 — Surah Ta-Ha 20:79

En Pharao voerde zijn volk op een dwaalspoor, hij leidde hen niet op de rechte weg

Verse 80 — Surah Ta-Ha 20:80

O kinderen van Isra�l, Wij bevrijdden u van uw vijand en Wij gingen met u een verbond aan, aan de rechter zijde van de Berg (Sina�) en zonden manna en kwartels op u neder

Verse 81 — Surah Ta-Ha 20:81

Eet van de goede dingen die Wij u hebben verschaft en overtreedt niet hier in, anders zal Mijn toorn op u nederdalen en degene op wie Mijn toorn nederdaalt gaat ten onder

Verse 82 — Surah Ta-Ha 20:82

Maar voorzeker, Ik ben Vergevensgezind jegens hem die berouw heeft en gelooft en het goede doet en het richtsnoer volgt

Verse 83 — Surah Ta-Ha 20:83

En wat heeft u van uw volk haastig doen weggaan, o Mozes

Verse 84 — Surah Ta-Ha 20:84

Hij zeide: 'Zij volgen in mijn spoor, en ik heb mij tot U gehaast, Mijn Heer, opdat Gij welbehagen in mij moogt hebben

Verse 85 — Surah Ta-Ha 20:85

(Allah) zeide: 'Wij hebben uw volk in uw afwezigheid beproefd en Saamiri heeft hen misleid

Verse 86 — Surah Ta-Ha 20:86

Mozes keerde daarop verontwaardigd en bedroefd tot zijn volk terug. Hij zeide: 'O mijn volk, heeft uw Heer u dan geen schone belofte gedaan? Kwam de vastgestelde tijd u dan te lang voor, of verlangdet gij dat de toorn van uw Heer op u zou nederdalen dat gij uw belofte aan mij hebt gebroken

Verse 87 — Surah Ta-Ha 20:87

Zij antwoordden: 'Wij hebben niet uit eigen beweging onze belofte aan u gebroken, doch wij waren belast met een lading sieraden van het volk, derhalve wierpen wij deze weg, en dat heeft Saamiri voorgesteld

Verse 88 — Surah Ta-Ha 20:88

Dan maakte deze voor het volk een kalf - een beeld, dat een loeiend geluid voortbracht. En men zeide: 'Dit is uw God en de God van Mozes,' doch hij is hem vergeten

Verse 89 — Surah Ta-Ha 20:89

Konden zij dan niet zien dat het (kalf) hun geen antwoord gaf en geen macht had om hun kwaad of goed te doen

Verse 90 — Surah Ta-Ha 20:90

En inderdaad had A�ron reeds tot hen gezegd: 'O mijn volk, voorzeker gij zijt daarmee op de proef gesteld. Voorwaar uw Heer is de Barmhartige; volgt mij derhalve en gehoorzaamt mijn bevel

Verse 91 — Surah Ta-Ha 20:91

Zij antwoordden: 'Wij zullen in geen geval ophouden het (kalf) te aanbidden voordat Mozes tot ons is teruggekeerd

Verse 92 — Surah Ta-Ha 20:92

Hij (Mozes) zeide: 'O A�ron, wat belette u, toen gij hen zaagt dwalen

Verse 93 — Surah Ta-Ha 20:93

Mij te volgen? Hebt gij dan mijn gebod veronachtzaamd

Verse 94 — Surah Ta-Ha 20:94

Hij antwoordde: 'O zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard noch bij mijn hoofd.' Ik was beducht dat gij zoudt zeggen: ´Gij hebt een scheuring teweeg gebracht onder de kinderen van Isra�l en hebt niet op mijn woord gewacht.´

Verse 95 — Surah Ta-Ha 20:95

Hij (Mozes) zeide: 'En wat hebt gij te zeggen, o Saamiri

Verse 96 — Surah Ta-Ha 20:96

Hij zeide: 'Ik zag wat zij niet konden zien. Ik volgde de voetstappen van de boodschapper naar mijn beste vermogen, doch dat heb ik thans opgegeven. Aldus heeft. mijn ziel het voor mij vergemakkelijkt

Verse 97 — Surah Ta-Ha 20:97

Mozes zeide: 'Ga dan heen, gedurende heel uw leven zult gij zeggen: ´Raak mij niet aan,´ en bovendien is er voor u een straf (bereid) waaraan gij niet zult ontkomen. Aanschouw thans uw god waarvan gij een toegewijd aanbidder zijt geworden. Wij zullen hem verbranden en daarna in zee strooien

Verse 98 — Surah Ta-Ha 20:98

Uw God is slechts Allah, naast Wie er geen God is. Hij omvat alle dingen in Zijn kennis

Verse 99 — Surah Ta-Ha 20:99

Zo vermeldden Wij u (Mohammed) de tijdingen van het voorafgaande, waarin Wij u een vermaning Onzerzijds hebben gegeven

Verse 100 — Surah Ta-Ha 20:100

Wie zich er van zal afwenden zal op de Dag der Opstanding de last hiervan dragen

Verse 101 — Surah Ta-Ha 20:101

Daaronder zullen zij blijven en deze last zal voor hen op de Dag der Herrijzenis ondraaglijk worden

Verse 102 — Surah Ta-Ha 20:102

De Dag waarop de bazuin zal worden geblazen zullen Wij de zondigen bijeenverzamelen en hun ogen zullen zonder licht zijn

Verse 103 — Surah Ta-Ha 20:103

Zij zullen met elkander op zachte toon spreken en zeggen: 'Gij zijt slechts tien (dagen) gebleven

Verse 104 — Surah Ta-Ha 20:104

Wij weten wat zij zullen zeggen wanneer de beste hunner beweert: 'Gij zijt slechts ��n dag gebleven

Verse 105 — Surah Ta-Ha 20:105

Zij (de ongelovigen) vragen u betreffende de bergen. Zeg: 'Mijn Heer zal ze verpulveren

Verse 106 — Surah Ta-Ha 20:106

En Hij zal haar (de aarde) als een lege vlakte laten

Verse 107 — Surah Ta-Ha 20:107

Waarop gij generlei inzinking of verhoging zult zien

Verse 108 — Surah Ta-Ha 20:108

Op die Dag zullen zij de oproeper volgen, die recht op zijn doel afgaat; alle stemmen zullen voor de Barmhartige worden verzacht en gij zult een gedempt geluid gefluistere horen

Verse 109 — Surah Ta-Ha 20:109

Op die Dag zal voorspraak niet van nut zijn behalve van hem aan wie de Barrnhartige verlof geeft en wiens woord Hem welgevallig is

Verse 110 — Surah Ta-Ha 20:110

Hij weet al hetgeen v��r hen en al hetgeen achter hen is, maar zij kunnen het met hun kennis niet omvatten

Verse 111 — Surah Ta-Ha 20:111

Alle gezichten zullen zich verootmoedigen in tegenwoordigheid van de Levende, de Uitzichzelf - Bestaande. Voorzeker, hij die ongerechtigheid begaat zal verloren gaan

Verse 112 — Surah Ta-Ha 20:112

Maar hij die goede werken verricht en gelovig is, behoeft geen ongerechtigheid of verlies te vrezen

Verse 113 — Surah Ta-Ha 20:113

Aldus hebben Wij het (Boek) als een duidelijke Koran nedergezonden en Wij hebben daarin duidelijk waarschuwingen herhaaldelijk uiteengezet, opdat men (God) moge vrezen en opdat het hen tot nadenken moge brengen

Verse 114 — Surah Ta-Ha 20:114

Verheven zij Allah, de Ware Koning. En haast u niet met de Koran eer de openbaring er van aan u voltooid is en zeg: 'O mijn Heer, doe mij toenemen in kennis

Verse 115 — Surah Ta-Ha 20:115

En waarlijk wij gaven voorheen Adam een bevel, doch hij vergat het en Wij vonden in hem geen voornemen daartoe

Verse 116 — Surah Ta-Ha 20:116

En toen Wij tot de engelen zeiden: 'Bewijst Adam eer,' bewezen zij allen eer, doch niet Iblies. Hij weigerde

Verse 117 — Surah Ta-Ha 20:117

Daarom zeiden Wij: 'O Adam, deze is voor u en uw vrouw een vijand; laat hij u derhalve niet uit de tuin verdrijven, anders zult gij ongelukkig worden

Verse 118 — Surah Ta-Ha 20:118

(Daarin is voorraad voor u) opdat gij er niet zult hongeren noch naakt zult zijn

Verse 119 — Surah Ta-Ha 20:119

En dat gij er geen dorst zult lijden noch zult blootgesteld zijn aan de hitte van de zon

Verse 120 — Surah Ta-Ha 20:120

Doch Satan fluisterde hem kwaad in, hij zeide: 'O Adam, zal ik u voeren tot de Boom der Eeuwigheid, en een koninkrijk dat nimmer zal vergaan

Verse 121 — Surah Ta-Ha 20:121

Zo aten beiden er van, waardoor hun schaamte hun duidelijk werd en zij zich begonnen te bekleden met bladeren uit de tuin. En Adam was ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer, derhalve leed hij

Verse 122 — Surah Ta-Ha 20:122

Alsdan verkoos zijn Heer hem, vergaf hem en leidde hem

Verse 123 — Surah Ta-Ha 20:123

Hij (God) zeide: 'Gaat allen tezamen hier vandaan, want gij zult elkander tot vijanden zijn. En indien er leiding van Mij tot u komt dan zal een ieder die Mijn leiding volgt, noch dwalen noch ongelukkig zijn

Verse 124 — Surah Ta-Ha 20:124

Doch degene die zich van Mijn gedachtenis zal afwenden, zal in benarde omstandigheden leven en op de Dag der Opstanding zullen Wij hem blind doen opstaan

Verse 125 — Surah Ta-Ha 20:125

Hij zal zeggen: 'Mijn Heer waarom hebt Gij mij blind doen opstaan, terwijl ik kon zien

Verse 126 — Surah Ta-Ha 20:126

God zal zeggen: 'Aldus kwamen Onze tekenen tot u en gij hebt er geen acht op geslagen en insgelijks zal op deze Dag op u geen acht worden geslagen

Verse 127 — Surah Ta-Ha 20:127

Op deze wijze vergelden Wij hem die buitensporig is en niet gelooft in de tekenen van zijn Heer; en de straf van het Hiernamaals is zeker gestrenger en langer van duur

Verse 128 — Surah Ta-Ha 20:128

Is het hun (bewoners van Mekka) dan niet duidelijk hoevele geslachten Wij v��r hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen zij wandelen? Voorwaar, daarin liggen tekenen voor degenen die met rede zijn begaafd

Verse 129 — Surah Ta-Ha 20:129

En ware het niet om een woord dat reeds van uw Heer was uitgegaan over een vastgestelde termijn, dan zou de straf al gekomen zijn

Verse 130 — Surah Ta-Ha 20:130

Verdraag (Mohammed) lijdzaam hetgeen zij zeggen en verheerlijk uw Heer met de lof die Hem toekomt voor het opgaan der zon en voor haar ondergang en verheerlijk Hem in de uren van de nacht en op de gedeelten van de dag, opdat gij gelukkig moogt zijn

Verse 131 — Surah Ta-Ha 20:131

En wend uw ogen niet naar hetgeen Wij hebben toebedeeld van de heerlijkheid dezer wereld aan verschillenden hunner, om hen daardoor te beproeven. De voorziening van uw Heer is beter en van langer duur

Verse 132 — Surah Ta-Ha 20:132

En spoor uw volk aan tot gebed en wees daarin volhardend. Wij vragen geen levensonderhoud van u, Wij onderhouden u. En het einde is voor de godvruchtigen

Verse 133 — Surah Ta-Ha 20:133

En zij (de ongelovigen) zeggen: 'Waarom brengt hij ons geen teken van zijn Heer?' Is er dan geen duidelijk teken tot hen gekomen in hetgeen in de vroegere geschriften staat

Verse 134 — Surah Ta-Ha 20:134

En indien Wij hen voor zijn (van de profeet) komst met een straf hadden verdelgd, zouden zij ongetwijfeld hebben gezegd: 'Onze Heer, waarom hebt Gij ons geen boodschapper gezonden, dan hadden wij Uw geboden kunnen volgen eer wij vernederd en onteerd werden

Verse 135 — Surah Ta-Ha 20:135

Zeg: 'Een ieder wacht; wacht gij derhalve ook en weldra zult gij te weten komen wie de mensen van het rechte pad zijn en wie de rechte weg volgen